Mini-dagboek – Thema: “Met Hem”

In week 30 van het jaar 2026 is, in overleg met de kerkenraad, een mini-dagboek samengesteld om online te uploaden (Instagram). Het bevat overdenkingen geschreven door verschillende ouderlingen, rond het thema “Met Hem”. De overdenkingen zijn geschreven aan de hand van een Bijbeltekst en kunnen dienen als dagboek voor één week. De data in dit bestand verwijzen nog naar de oorspronkelijke week waarin het dagboek is opgesteld. Wilt u het op een ander moment gebruiken, dan kunt u eenvoudig de dagnummers volgen (Dag 1 t/m Dag 7).

Zaterdag 25 juli (slot)

Lezen: 2 Korinthe 13:1-11
Tekst: 2 Korinthe 13:4

Want hoewel Hij gekruist is door zwakheid, zo leeft Hij nochtans door de kracht Gods. Want ook wij zijn zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door de kracht Gods in u.

Gisteren stonden we stil bij Romeinen 6:6, waar we lezen dat onze oude mens met Christus gekruisigd is. Vandaag zien we op Hem Die voor ons die weg gegaan is.

Christus stierf aan het kruis vanwege de zonde. Niet Zijn zonde, want Hij was zonder zonde, maar onze zonde bracht Hem daar. De hoogmoed van de mens, de jaloezie, de haat, de ongehoorzaamheid aan God en de liefde tot onszelf kwamen samen aan het kruis van Golgotha. De mens verwierp zijn Schepper en kruisigde Zijn Zoon.

En toch… God liet het toe. Niet omdat de mens sterker was dan God, maar omdat Gods eeuwige heilsplan zo vervuld moest worden. Wat een onbegrijpelijke genade! Daar waar wij de dood verdiend hadden, gaf God Zijn eniggeboren Zoon.

Maar het kruis was niet het einde. Christus is opgestaan uit de dood. Hij leeft uit de kracht van God en heeft alle macht in hemel en op aarde ontvangen. Daarom is er hoop voor verloren zondaren. Daarom mag ook u, jij en ik weten: er is een levende Verlosser.

Zie op Hem. Zoek Hem. Want wie door het geloof met Hem verbonden wordt, zal delen in Zijn leven, Zijn overwinning en Zijn heerlijkheid.

Door ouderling Hendrik Kroon
________________________________________________________________________

Vrijdag 24 juli

Lezen: Romeinen 6:1-8
Tekst: Romeinen 6:6

Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.

Wat een krachtige belofte: onze ‘oude mens’ , de slaaf van zonde en egoïsme – is niet verbeterd, maar gekruisigd. Toen Jezus stierf, stierf jouw oude identiteit met Hem. Het is geen theorie, maar een voldongen feit waar wij uit mogen leven.

Dit betekent dat de vicieuze cirkel van zondig gedrag is doorbroken. De zonde heeft juridisch geen zeggenschap meer over jouw en mijn leven. Het ‘lichaam van de zonde’: ons sterfelijke bestaan dat zo makkelijk toegeeft aan begeerten is zijn dictator kwijtgeraakt.

Geloof je dat jij, door de doop en geloof, met Hem begraven bent en dus vrij bent. Je hoeft de zonde niet langer te dienen. Als je naar je zelf kijkt naar beneden is dat eigenlijk niet te begrijpen maar als je omhoog ziet op Hem is er alleen maar verwondering.

Dit vraagt dagelijks om gebed en keuzes maken. Om de zonde niet aan de hand te houden en te bagatelliseren. Maar om de geestelijke wapenrusting aan te trekken en je weren tegen de duivel en zijn verleiding. Leef vandaag nog vanuit deze nieuwe duurbetaalde vrijheid

Door ouderling Wouter de Vries
________________________________________________________________________

Donderdag 23 juli

Lezen: Marcus 5:1-20
Tekst: Marcus 5:18

En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.

Jezus gaat het schip in met Zijn discipelen om terug te gaan naar Galilea. Hij laat de man, die bezeten was en nu genezen, dan achter. En dat terwijl deze man op zijn knieën lag of hij niet met Jezus mee mocht; in Zijn nabijheid mocht blijven. Herken je dat bij jezelf, “Heere Jezus blijf bij mij”?

Nu weten wij dat Jezus bij ons is met Zijn Heilige Geest, maar daar had deze
bezetene nog geen idee van. Maar Jezus heeft een andere bestemming voor deze man, letterlijk en figuurlijk. Blijf hier en vertel je omgeving hoe fantastisch Ik voor jou ben geweest en hoe Ik me over jou heb ontfermd. Als je dan vers 20 leest dan zie je dat er een heilig vuur in deze man is ontstoken. De man vertelt niet op verjaardagen, of binnen zijn eigen kliek, maar gaat dat hele land van Dekapolis door en verkondigt de grote dingen die Jezus gedaan heeft. Dat vuur wakkert de Geest door het Woord nog altijd aan. Ook bij jou?

Door ouderling Paulus de Vries

_________________________________________________________________________

Woensdag 22 juli

Lezen: Johannes 19:17-24
Tekst: Johannes 19:18

Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.

Hoe veelbetekenend zijn die paar woorden: En Jezus in het midden! De schrift is vervuld: Hij is met de overtreders geteld geweest. God rekende Zijn Zoon erbij. In Gods ogen hangen daar drie misdadigers. Daar zien we drie kruisen: Het kruis van de lasteraar, het kruis van een boeteling en het kruis van de verlosser. Dat laatste kruis staat in het midden. Niet aan de zijkant! Nee, in het midden. Als een bewijs dat de Verlosser middenin het oordeel Gods is neergedaald. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Gekomen voor die arme, verloren zondaren die middenin de dood liggen.

Christus heeft tot ergernis van de Farizeeën en Schriftgeleerden tijdens zijn omwandeling geleefd met tollenaren en zondaren en nu eindigt Hij Zijn leven tussen bloedvergieters, alsof Hijzelf de allerminste was! Wat een onderwijs krijgen we hier vandaag bij die drie kruisen. Want daar wordt geleerd: ik was een groot beest bij U. God de Vader heeft Hem erbij geteld, maar Christus telde Zichzelf er ook bij. Hij is niet van het kruis afgekomen. Hij bleef bij die twee anderen: Hij is de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Maar die broederen waren goddelozen. Daar is Hij nu te vinden.

En dan komt de vraag op ons af: aan welke zijde hangen wij? De ene kreeg z’n schuld te zien en in te leven, maar de andere verharde zich. Jezus in het midden: voor de een tot een val, voor de ander tot een opstanding! Jezus in het midden! Je zou zeggen: het is toch overbodig dat erbij te vermelden. Want eerder staat er al: en met Hem twee anderen, aan elke zijde een. Maar de heilige Geest heeft er nog eens nadrukkelijk bij laten schrijven: En Jezus in het midden! Opdat de kerk zich goed rekenschap zou geven van Zijn plaats: Hij de grootste der misdadigers.

En met eerbied gesproken, dat was Hij ook! Want de anderen droegen elk het pak van een eigen zonden. Christus droeg de schuldenlast van geheel Zijn volk. Maar nu is Zijn vloek de zegen van dat volk. Hij is tot op het diepst vernederd. Maar ook uitermate verhoogd, want het Lam is geplaatst in het midden van de troon. De engelen mogen zich slechts rondom de troon scharen, maar Hij is het middelpunt.

Mag het ook in u leven zo zijn: En Jezus in het midden? In het midden van onze plannen en overdenkingen. In het midden van al onze bezigheden, Vakantie, Werkdag, in het midden van de Rustdag, ja in het midden van geheel ons leven. Maar ook in het midden van ons hart, vanwaar de uitgangen des levens zijn. En dat het eens zal zijn tot in der eeuwigheid: En Jezus in het midden.

En zo is dit een rijk Evangelie want dat zegt ons, dat de grootste der zondaren nog zalig kan worden. Daar hangt Sions betalende Borg met de handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Welnu, aan die doorboorde voeten is nog plaats voor een schuldige zondaar om genade af te smeken. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

Wij zullen, wil het wel zijn, evenals die begenadigde moordenaar, in het bloed van Christus gezaligd moeten worden. Toen die ene moordenaar lasterde, heeft Christus niets gezegd. Maar eenmaal zal Hij spreken: Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend. De andere waarschuwde de eerste: Vreest gij ook God niet? En zo laat de Heere ons nog waarschuwen: Vreest God en houdt Zijn geboden! Stel uw bekering niet uit.

U zegt: Ach, voor deze moordenaar kon het ook nog op het laatste moment. Dat is waar, maar in heel de bijbel staat dat er maar van een! Christus moest lijden en sterven, waarom? De mens moest de schuld betalen, maar de mens kan dat niet. Want hij heeft niets om te betalen. Zelfs onze beste werken zijn met zonde bevlekt.

Smeek toch, of u dat mag leren in uw leven, dat het van onze kant alles zonde is. Maar ook dat het nu van Gods kant die door Jezus Christus enkel genade is dat wij behouden kunnen worden. De gerechtigheid is verworven, het Middelaarswerk is volbracht, Gods recht is bevredigd. En een arm volk dat middenin de dood ligt mag gaan toebrengen de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging in Gods eeuwig Koninkrijk.

En daar zal Christus als de Middelaar Gods en der mensen in het midden zijn.

Door ouderling Hessel van Urk

_________________________________________________________________________

Dinsdag 21 juli

Lezen: Mattheüs 26:26-35
Tekst: Mattheüs 26:35

Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.

We zien hier de overmoed van Petrus en met hem de andere dicipelen die hem bijvielen. Hoogmoed komt voor de val zouden we zeggen, en gevallen zijn ze allen. Petrus in de verloochening van de Heere Jezus en de andere dicipelen in het wegvluchten in plaats van de beloofde standvastigheid om bij Hem te blijven.

Maar het is makkelijk redeneren en anderen te veroordelen na de tijd. Maar als we eerlijk zijn en ons verplaatsen in de situatie waarin Petrus en de anderen zich op dat moment bevonden, hadden wij dan niet precies hetzelfde gedaan?

Als we kijken in onze huidige tijd, dan is het ook vaak als de Kerk wordt aangevallen dat we al gauw zeggen, laat dat eens gebeuren want dan zullen we dit of dat en vroeg of laat leidt dat tot escalatie en spelen we voor eigen rechter.

En nog iets dichterbij, hoe is het in ons eigen persoonlijke leven? Betrappen we ons er vaak zelf niet op om toch op de troon van ons eigen bestaan te willen blijven zitten. We voelen ons vaak nog zo sterk en dat we de controle in handen hebben.

Maar laten we wel beseffen wat ook in Psalm 39:6 staat : Dat een ieder mens hoe vast hij/zij ook meent te staan enkel ijdelheid is of te wel een zucht. Laten we het daarom van de Heere verwachten dat Hij ons mag leiden en die eerste plaats in mag nemen in ons leven.

Dat daarom ook onze bede mag zijn: Heere wat wilt u dat ik doen zal. Dat we gehoor geven aan Zijn roepstem die zo vaak tot ons komt op zoveel manieren. We leven nog in een bevoorrechte omstandigheid. De Heere trekt en roept op zoveel verscheiden wijzen zoals de mogelijkheden om onder Gods woord te komen en ermee in aanraking te komen door evangelisatie en zending en alle uitleg van Gods Woord.

Sla daarom de noodzaak en de roepstem om tot Hem te komen niet af, denk niet als God u een bepaalde weg wijst dat u zich dat hebt ingebeeld en zeker niet als deze nog eens sterker terugkomt maar geef u over aan de wil van God, want de Heere Jezus heeft zichzelf overgegeven tot in de dood voor uw en mijn zonden.

Maar wat meer, dat Hij is opgestaan uit de doden en zit aan de rechterhand van Zijn Vader en ons de Heilige Geest heeft gezonden om ons bij te staan in alle omstandigheden van dit tijdelijke leven om zo ook met Hem verzoend te kunnen worden tot in der eeuwigheid.

Ik wens u dan ook toe: Ga met God en Hij zal met u (ons) zijn.

Door ouderling Jelle Pasterkamp

_________________________________________________________________________

Maandag 20 juli

Lezen: Maleachi 2:10-17
Tekst: Maleachi 2:17

Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?

Deze tekst komt uit het boek van de profeet Maleachi en is een scherpe aanklacht tegen het volk Israël. In gewone taal zegt het vers ongeveer dit:
Jullie maken God moe met wat jullie zeggen. Want jullie beweren dat slechte mensen goed zijn in Gods ogen, of jullie twijfelen en zeggen: “Waar is God die rechtvaardig oordeelt?”

In Maleachi 2:17, wordt ons een pijnlijke spiegel voorgehouden. Het volk klaagt dat God niet rechtvaardig lijkt te handelen. Ze zien kwaad om zich heen en concluderen: misschien vindt God het wel goed, of misschien grijpt Hij helemaal niet in. Maar God keert die redenering om: niet Hij faalt, maar hun manier van denken is verdraaid.

Hoe herkenbaar is dat ook vandaag. Wanneer onrecht zichtbaar is, kunnen we moedeloos worden of cynisch. We stellen vragen bij Gods rechtvaardigheid, terwijl we soms tegelijk onze eigen keuzes vergoelijken. Zo verschuift langzaam de grens tussen goed en kwaad, totdat we het verschil nauwelijks nog scherp zien.

Dit vers nodigt uit tot eerlijk zelfonderzoek. Niet: “Waar is God?”, maar: “Waar sta ik?” Vertrouw ik erop dat God rechtvaardig is, ook als ik het niet direct zie? En leef ik zelf naar die rechtvaardigheid? Ware geloofshouding is niet gebaseerd op wat wij waarnemen, maar op wie God is.

Gods geduld is geen zwakte, maar genade. Hij verdraagt onze woorden, zelfs wanneer ze Hem “vermoeien”, en blijft ons roepen tot bekering. Zijn ogenschijnlijke stilzwijgen betekent niet dat Hij afwezig is, maar dat Hij ruimte geeft tot inkeer.

Uiteindelijk zal Zijn recht zichtbaar worden. Daarom is deze tekst ook een oproep tot hoopvolle volharding: blijf het goede zoeken, spreek waarheid, en vertrouw erop dat God recht zal doen op Zijn tijd.

Wees waakzaam en houd u ook vandaag bezig met ‘’al wat waarachtig is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt’’ (Filippenzen 4 : 8).

Door ouderling Klaas van der Meer


Zondag 19 juli 2026

Lezen: Exodus 33:23-28
Tekst: Psalm 78:37
Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

Psalm 78 begint met de woorden een onderwijzing van Asaf. Asaf was de dichter van Psalm 73 tot 83. In Psalm 78 blikt Asaf terug op de grote daden Gods tijdens de verlossing van het volk Israël uit de slavernij van Egypte.

Maar ondanks Gods grote daden bleven zij met hun gedachten bij de vleespotten van Egypte. Met de beloften Gods van een land vloeiende van melk en honing bleven zij keer op keer God vertoornen door te roepen dat het in Egypte beter was. Maar God bleef in Zijn onuitsprekelijke goedheid trouw aan Zijn belofte aan Abraham, Izak en Jakob dat Hij een nageslacht zou brengen in het beloofde land.

De Heere heeft in Zijn lankmoedigheid 40 jaren verdriet van het volk gehad zo zegt Gods Woord, daarom konden zij niet ingaan in het beloofde land, vanwege hun ongeloof. In 1 Korinthe 10:6 staat geschreven, en deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs zij lust gehad hebben. En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk er geschreven staat, het volk zat neder om te eten en te drinken en stond op om te spelen.

Je zou haast denken, wat lijkt onze tijd veel op waar de apostel Paulus voor waarschuwde. Wij leven in een tijd van overdaad in eten, drinken en spelen en is er nog tijd voor de Heere en Zijn Woord dat getuigt van het vlees geworden Woord.

Zijn ook wij niet op reis van het slavenhuis Egypte naar het huis met zijn vele woningen waarvan de Heere Jezus sprak. Maar de vraag zal voor een ieder van ons zijn, heeft de Heere Jezus in dat huis met zijn vele woningen ook voor ons een plaats bereid?

Dan moeten wij wel door Hem gekend zijn, want er staat ook geschreven dat er velen zijn die de Heere Jezus zeggen te kennen, maar van wie Hij zegt, Ik ken u niet, gaat weg van Mij gij werkers der ongerechtigheid. Wij moeten ons leven richten op Hem Die de Weg, de Waarheid en het Leven is.

Daarom roept de Heere Jezus Zelf ons toe, komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijn en Ik zal u rust geven.

Door ouderling Jan Pruiksma

Ben jij tussen de 18 en 25 jaar en lijkt het je leuk om samen rond de Bijbel een goede tijd te hebben?
Meld je aan! We vragen een eigen bijdrage van €70. Eten en drinken zijn op eigen kosten.
Aanmelden kan bij Klaas Post via 06-41801728. Mocht je ouder zijn en ook mee willen, stuur gewoon een berichtje!
Let op: dit kan tot uiterlijk vrijdag 14 augustus 2026

Informatie Uitje augustus 2026 | 18+ jaar
📍 Locatie
Overnachting: Hotel Landgoed Zonheuvel, Amersfoortseweg 98, 3941 EP Doorn, Nederland

📅 Datum
Vrijdag 28 augustus – zaterdag 29 augustus 2026

🕑 Vertrek
Vrijdag 28 augustus, 17:00 uur vertrek bij de kerk

Belangrijke informatie:
➡️We vragen een eigen bijdrage van €70. Verder zijn eten en drinken op eigen kosten.
➡️We overnachten samen in een hotel, neem dus wel je spulletjes mee die je nodig bent.
➡️We hopen zaterdagavond weer terug te zijn.
➡️We gaan samen met de Bijbel bezig, vergeet je Bijbel en notitieboek dus zeker niet!

Deel 1 (268 pag.)

Jong, over het paard getild door je vader, niet geliefd door je broers. Zo begint de geschiedenis van Jozef. Tegelijkertijd is hij een jongeman die de Heere liefheeft. Dr. R. van Kooten behandelt in korte hoofdstukken stapje voor stapje het leven van Jozef.

In dit eerste deel zien we hoe Jozef door en met zijn dromen in de put komt, eerst bij Dothan en dan in Egypte. De dromen dragen als beloften van God Jozef door de crisis heen.

Het boek is te bestellen via https://www.hhgmoria.nl/product/gods-magistrale-plan-deel-1/

Deel 2 (428 pag.)

Na een verrassende wending komt Jozef op de troon van Egypte. Hij maakt eerst de vette jaren mee, trouwt en wordt tweemaal vader. Dan komen de magere jaren. De broers worden naar Egypte gestuurd. En dan gaat het beginnen. Speelt Jozef niet met zijn broers als een kat met een zielige muis? Neemt hij niet sadistisch wraak?

Dr. R. van Kooten laat in dit tweede deel over Jozef verrassend zien dat Jozef héél knap de omstandigheden van tweeëntwintig jaren geleden herschept om zijn broers te testen. De broers doorstaan de eindtest en er volgt een rijke ontknoping.

Het boek is te bestellen via https://www.hhgmoria.nl/product/gods-magistrale-plan-deel-2/

De opbrengst van deze boeken is bestemd voor Stichting Evangelisatie Drenthe

Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.
(Johannes 11:22)

Ondanks de radeloosheid en raadsels in het hart van Martha blijft het geloof levend. Wat zij hier uitspreekt is immers een belijdenis vol geloof. Ze weet Wie Jezus is, ze weet hoe God is. Daarom mag ze geloven dat God Hem altijd hoort, en dat er uitkomsten zijn, ook nu. Nee, hoe die uitkomsten zullen zijn, daar heeft ze geen idee van. Eigenlijk ziet ze het totaal niet. De toekomst is donker; maar toch ziet ze, als door een kier, licht. Ook nu zal God luisteren naar Jezus. Maar… zou Jezus nog wel echt willen helpen, als Hij zo lang weggebleven is? De Vader zal wel naar Zijn Zoon luisteren, maar zal de Zoon nog wel naar haar willen luisteren…?

Dus Martha heeft hier wel zekerheid over God, maar geen zekerheid voor haarzelf. Zo is het vaker bij Gods kinderen: ze durven het voor zichzelf nauwelijks te denken, maar kunnen toch van de Heere geen kwaad horen. Ze kunnen haast niet geloven dat hún zonden vergeven zijn, maar hebben zulke grote gedachten van de gewilligheid van Christus om te vergeven! En dat laatste is toch doorslaggevend: ‘Wat dunkt u van de Christus?’

Maar we laten nu Martha even voor wie zij is. We richten ons op haar woorden, die waar zijn. De Heere Jezus bevestigt dat immers even later: ‘Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort’ (vers 42). Daar zegt Christus dus, dat de Vader Zijn gebeden altijd verhoort. Dat kan ook niet anders, want de Vader en de Zoon zijn één. Christus zal nooit iets bidden tegen de wil van de Vader in; de Vader zal nooit een begeerte van de Zoon afkeuren. Zij zijn ten volle ‘één van hart en één van zin’.

De Heere Jezus wist dat Zijn Vader altijd naar Zijn gebeden luistert. Dan mogen wij dat ook weten! Dat geeft ons grote vrijmoedigheid en verwachting. De verhoring van onze gebeden ligt vast in de gebeden van Christus. Zoals later de apostel schrijft: ‘Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen is doorgegaan, laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade!’ Naderen tot de troon van de Vader, met het oog op de Zoon.

Daartoe wekt de Heere Jezus ons ook op: ‘Al wat gij de Vader bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven’ (Joh. 16:23).

Dus de verhoring van die gebeden ligt even vast als de verhoring van Zijn gebed! Waarom is dat? Let op die woorden ‘in Mijn Naam’. Oftewel: ‘namens Mij’. Dus je legt je gebeden neer voor Gods genade­troon met als het ware daarbij gezegd: ‘Dit bid ik U namens Uw Zoon; dit vraag ik van U omdat het in Zijn belang is.’ En dan mag je zéker weten dat je gebed verhoord wordt – omdat de Vader de wens van Zijn Zoon altijd aanvaardt!

Dat betekent niet dat je bij alles wat je bidt er op mag rekenen dat het verhoord wordt. Het is belangrijk om het verschil te zien tussen het bidden ‘in Jezus’ Naam’ en ‘om Jezus’ wil’.

Wat betekent ‘om Jezus’ wil’? Het betekent niet: ‘omdat Jezus het wil’, maar het betekent: omwille van Jezus’. Je belijdt daarmee dat je het zelf niet verdiend hebt. Als je gebed verhoord wordt, dan kan dat alleen maar omdat Jezus het verdiend heeft. De verdienste van Christus geeft ons vrijmoedigheid om álle begeerten aan God voor te leggen. En andersom: als Christus niet voor de zonde gestorven was, dan konden we niets aan God voorleggen, dan moest Hij ons geheel afwijzen…!

We mogen met het oog op de verdienste van Christus alles aan God vragen, maar niet alles zal Hij geven: ‘Niet mijn wil maar Uw wil geschiede’. Zo heeft Paulus het ook gemerkt. Hij heeft gebeden of God de doorn uit zijn vlees wilde weghalen, maar dat heeft God niet willen doen. Anderen hebben gebeden om genezing, om een huwelijk, om bescherming in oorlogstijd – maar dat hebben ze niet ontvangen. God zou het (om Christus’ wil) wel hebben kunnen geven, maar Hij had redenen om het niet te doen.

Zo is het echter niet als wij bidden ‘in Jezus’ Naam’. Als er iets is waarvan je zo heel zeker weet dat het Zijn zaak is, dan mag je daar met volle verzekering om bidden. Zo schrijft Johannes het later ook: ‘dat, zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort’.

Hoe kun je dat nu ooit weten? Dat vraagt om een biddend, om een nabij leven. Een leven dicht bij de Heere Jezus, een leven dicht bij het Woord. Dan mag je ontdekken welke beloften van God vast en zeker gelden. Wat blijkt er dan veel te zijn wat God met absolute zekerheid belooft aan ieder die in Christus tot Hem komt! Dan mag je soms ook in een bepaalde zaak zekerheid ontvangen, omdat je weet dat de Heere daarin geroepen heeft en je oprecht mag zeggen dat het om Hem gaat.

Wat een vrijmoedigheid geeft dit in het bidden: ‘Vader, dit is wat Uw Zoon wil, en ik weet dat U Hem altijd hoort. Hoor zo ook mij, al ben ik slechts een arme zondaar.’

M. van Reenen V.d.m.

Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven.
(Johannes 11:20)

Martha is een vrouw van grote ijver en met een groot verdriet. En ook wel met een groot geloof – al is haar geloof ook zo onwetend…
Hoe dan ook, ze heeft veel verwachting van Jezus. Eindelijk, na vele dagen wachten, is Hij gekomen. Wat een opluchting! Zodra ze van Zijn komst hoort gaat ze Hem tegemoet. Ze moet Jezus zien, ze moet Zijn stem horen, en Hij moet haar stem horen! Al haar nood stort ze nu voor Hem uit. Het klinkt als een verwijt; ze neemt het de Heere kwalijk dat Hij er niet eerder was. Maar een verwijt – hoe vaak schuilt daarachter niet een verdriet, een angst…
Wat is het trouwens ook herkenbaar: ‘Wat nu als…’ Wat nu als die ándere chirurg de operatie had uitgevoerd? Wat nu als we er een paar maanden eerder bij waren geweest? Misschien was dan onze geliefde niet gestorven…
Zo peinst nu ook Martha, maar ze doet dit wel in geloof. Ze verwacht het niet zomaar van mensen, ze bedenkt niet wat ze zélf beter had kunnen doen, maar het is Jezus alleen Die het verschil had kunnen maken: als Hij er nu eens was geweest! Ze weet het zeker: dan zou Hij Lazarus niet hebben laten sterven.
En wat is Jezus daarin oneindig veel meer dan alle andere mensen! Als wij naast een sterfbed staan, dan voelen we dat niemand de dood kan tegenhouden. De dood is ons allen te sterk. Dat is pijnlijk maar onvermijdelijk: er is geen uitzondering; niet van de sterkste, de slimste of de rijkste. Alleen Jezus! Als Hij er bij was geweest, zo gelooft Martha, dan zou Hij de dood met één woord hebben teruggestuurd. De Levensvorst zou Zijn vriend in het leven hebben gehouden…
Ja, ze beseft iets van Wie Jezus is; dat Hij meer is dan een mens, dat Hij bij God hoort van Wie het leven is. Toch ziet ze het nog maar beperkt. Nu, nu Lazarus reeds gestorven is, nu is Hij volgens haar te laat, nu kan Hij ook niets meer doen. Alsof Hij de dood wel kan tegenhouden maar niet kan wegsturen; alsof Hij het leven wel kan bewaren maar niet kan teruggeven. Wat een (begrijpelijke) vergissing! Als de Heere echt sterker is dan de dood (en dat is Hij!), dan is Hij dat volkomen, ook dan als de dood lijkt te hebben gewonnen.
Als Martha goed naar het onderwijs van Jezus geluisterd had, dan had ze het geweten: ‘doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven’ (Joh. 5:25). En als Martha het al had kunnen weten, hoe veel te meer wij! Wij leven immers na Pasen. We herdenken dat Christus gestorven is. Daar leek het er op dat de dood het van Hem had gewonnen, maar dit was niet waar. Toen de dood dacht te triomferen, toen heeft Jezus Zijn volle macht laten blijken. Hij is machtig om de dood te verdrijven zelfs nadat Hij onder de dood terecht gekomen is. Hij heeft macht het leven op te nemen, zelfs als het leven al dagen uit Zijn lichaam geweken is.
En daarom had Martha moed mogen scheppen, ook al was Lazarus reeds gestorven. Nooit zal de dood Jezus te sterk zijn, nooit zal Hij machteloos staan. Ook al ligt Lazarus nu reeds in het graf, hij zal opstaan. En zo is het met onze geliefden. Hoe lang het ook reeds geleden is, Christus kan en zal hen terugroepen. ‘Uw doden zullen opstaan!’
Martha vergiste zich nog ergens in. Zou het echt zo geweest zijn, dat Lazarus niet gestorven was als Christus toen maar aanwezig was geweest? O nee! In dat geval zou het Hem nu uit de hand gelopen zijn, dan zou Hij Zich vergist hebben door nog een paar dagen weg te blijven. Maar Hij wist wat Hij deed, óók toen Hij deze familie alleen liet en Lazarus liet sterven. Het is niet zo, dat Hij nooit iemand heeft laten sterven. Of wat denkt u, dat in die drie jaren van Christus op aarde geen mens in Zijn omgeving gestorven is…? Zelfs Jozef, zijn adoptie-vader, is gestorven…!
En nu, als Christus er niet bij was, zouden wij dan niet sterven? Als een gelovige op zijn ziekbed ligt en dat ziekbed wordt een sterfbed, betekent dit dan dat er te weinig geloof is, dat de Heiland Zich teruggetrokken heeft?
Welnee! Hoe vaak is het juist niet andersom geweest. Een kind van God stierf en God was kennelijk aanwezig. Het was duidelijk voor de stervende, het was duidelijk voor de omstanders. Ik zie het nog zo voor me, hoor het nog in mijn oren, de afscheidswoorden van de stervende: ‘Dominee, ik ga naar huis!’ Zouden we hier hebben kunnen zeggen: ‘Als de Heere er was geweest, dan zou hij niet zijn gestorven…?’ O nee. Hoe pijnlijk ook het afscheid, juist daar toont de Heere Zijn aanwezigheid, Zijn genade en Zijn macht.
Hoe dan? De dood is op bevel van Christus van karakter veranderd. Ze sleurt de gelovige niet mee in haar kaken, maar draagt hem op zijn rug ten hemel.  ‘Zalig zijn de doden die in de Heere sterven!’

M. van Reenen V.d.m.

En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.
(Johannes 11:19)

Wat een verdriet is er in deze wereld. Mensen doen elkaar soms zo’n diepe pijn… Maar diep verdriet is er ook daar waar wel liefde is. Juist ook daar, want eenmaal moet je ook afscheid nemen van elkaar. Hoe pijnlijk is het om iemand van wie je houdt los te moeten laten, definitief los te moeten laten. Afscheid, rouw, gemis.

Zo draagt iedereen verdriet bij zich. Of verdriet van eenzaamheid, omdat er geen liefde is. Of verdriet van afscheid, omdat er liefde was. Zelfs in het uitnemendste van dit leven is er daarom nog moeite en verdriet (Psalm 90).

Wat kunnen we daarin voor elkaar doen? Eerst maar beseffen, dat iedereen (zeker iedereen die wat ouder is) hiervan weet: wij zijn niet de enige… En dan ook, dat we ook daarvoor aan elkaar gegeven zijn: wij moeten niet alleen blijven. En bovenal, dat we elkaar niet de ware troost kunnen geven: we moeten van een Ander zijn. De Ander, Die weet wat sterven is, zoals we in deze lijdenstijd gedenken.

Voordat Hij Zelf naar het kruis gaat komt Hij in een sterfhuis. Lazarus is gestorven, vier dagen geleden inmiddels. Als Jezus daar komt is Hij bepaald niet de eerste. Vele Joden zijn reeds gekomen. Martha en Maria zijn gewaardeerd in hun omgeving. Zij die liefde hebben gegeven ontvangen nu liefde van hun omgeving.

Om te troosten zijn ze gekomen. Dat is waardevol. De Heere heeft de mens gemaakt om er voor elkaar te zijn, ook na de zondeval is dit zo gebleven: ‘het is niet goed dat de mens alleen zij’. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd, gedeelde smart is halve smart.

Wat hebben ze gezegd, deze Joden? We weten het niet, we horen hun gesprekken niet. Alleen straks, als Jezus bij het graf staat, dan laten ze iets horen: ‘Zie hoe lief Hij hem had’ (vers 36). Ze herkennen de tranen van liefde. Dat is al iets groots: te merken dat een ander hield van je geliefde. ‘Gecondoleerd’ zeggen we dan, we belijden dat we meelijden. Dan hoef je niet altijd veel meer te zeggen. Al is het soms juist ook zo goed om te spreken. En de ander te láten spreken vooral.
De Joden kwamen om Martha en Maria te troosten. Lukte hen dat? Ach, nog steeds staat het verdriet deze vrouwen op het gezicht. Je hoeft ze maar even aan te raken en ze barsten al weer in snikken uit. Ze zijn als Rachel, die zich niet wilde laten troosten (Jer. 31:15). En is het vreemd? Hoe vriendelijk de Joden ook zijn, Lazarus komt er niet door terug. Wat zullen wij troosten? Immers, ‘alle vlees is als gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld’ (Jes. 40:6).

Tóch roept de Heere Zijn knechten er toe op: ‘Troost, troost Mijn volk’. En zijn die knechten alleen de ambtsdragers? Welnee toch? Hij vraagt ons allemaal om voor de ander een trooster te zijn. Niet alleen in daden, maar meer nog in houding. En allermeest in woorden.
Helpen woorden dan? Woorden kunnen zo leeg klinken… Ja, maar niet deze woorden die Hij Zelf ons aanreikt: ‘Zie, hier is uw God’ (Jes. 40:9). Als je dit maar niet zegt om je er je goedkoop van af te maken, maar vanuit de diepe bewogenheid en vaste zekerheid.

Zouden de Joden dat ook gezegd hebben? ‘Martha, richt je op de Heere Jezus!’ Misschien wel, maar dan nog hebben ze Hem niet goed begrepen. Later klinkt hun verwijt: ‘Kon Hij Die de ogen des blinden geopend heeft niet maken dat ook deze niet gestorven ware?’ Ze wisten dat Hij helpen kon, maar wisten ten diepste niet hoe. Toch zou dat het allerbeste geweest zijn waarmee zij Martha en Maria konden troosten: ‘Zie, daar komt uw Heere!’

En zo is het toch? Hij kwam en Hij komt. Misschien voor ons gevoel wel traag en onbegrijpelijk, maar Hij laat Zijn ‘kwijnend volk niet eind’loos in ’t verdriet’. Ook de Heere Jezus komt om Martha en Maria te troosten. En met welk een diepe troost komt Hij dan!

Het wonderlijkste van Zijn vertroosting is nog wel, dat Hij Zelf de dood is ingegaan. Zo was het toen trouwens nog niet, maar een paar dagen later wel, en zo mogen wij van Hem weten. Hij is een Trooster Die eerst Zelf gestorven is! Wij weten niet wat onze geliefde meemaakte toen diegene stierf, maar Hij kent wel de weg in de dood, de diepe eenzaamheid, de grote verschrikking. Er is niemand die zo diep kan medelijden als Hij!

Maar als dit alles was, dan was het nog een schrale troost. Hij heeft de dood overwonnen. Op ziekbedden wordt gestreden tot aan de dood, Hij streed tot in de dood. Hij heeft de angel er uit weggenomen door de schuld te betalen, het oordeel weg te nemen, de hemel te openen. ‘Dood, waar is uw prikkel, hel, waar is uw overwinning?’ Die juichkreet is er alleen waar wij Jezus zien. Daarom, hoe goed ook het is om elkaar te troosten, onze enige volle troost is: het eigendom te zijn van die getrouwe Zaligmaker.

M. van Reenen V.d.m.

Jezus dan gekomen zijnde, vond dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.
(Johannes 11:17)

Twee dagen had de Heere Jezus ge­wacht, daarna wilde Hij gaan. De di­s­ci­pe­len hadden daar eerst he­le­maal geen moed voor. Maar blijkbaar wil Hij per se. Daarom spreekt Thomas –wat neerslach­tig– namens allen: ‘Als de Heere dan moet sterven, dan moeten wij Hem niet in de steek laten. Als het dan zo moet, dan moet het maar…’

En zo gaan ze. Na een dag lopen  arriveren ze in het dorpje Bethanië. Er is inmiddels heel wat tijd verstreken. Twee keer een dag reizen, twee dagen wachten. Op het moment dat de boodschapper naar Jezus gestuurd werd, lag Lazarus al op sterven. Nu Jezus arriveert, is het zo dat hij al vier dagen daarvoor gestorven is.

Vier dagen van diepe rouw bij Martha en Maria. Rouw, niet alleen omdat ze hun broer kwijt zijn maar ook omdat ze zich door de Heere in de steek gelaten voelen. Straks zullen we het hen beide horen uitroepen: ‘Heere, als U hier geweest was…!’ Vier dagen waarin de Heere hen voor hun gevoel aan hun lot had overgelaten.
Of moeten we het anders zeggen? Het waren vier dagen van beproeving. Deze tijd van wachten door de Heere Jezus stelde het geloof en de liefde van de twee zussen op de proef. Zouden ze nog op Hem blijven hopen? Zouden ze nog kunnen geloven dat er bij Hem uitkomsten zijn?

Dat te geloven werd wel steeds moeilijker. Eerst, toen Lazarus nog leefde, hoopten ze op genezing. Maar toen hij gestorven was…? Nu ja, misschien helemaal aan het begin; toen Lazarus daar nog zo stil en gaaf lag; wie weet zou de Heere hem dan weer de adem in kunnen blazen zodat hij van zijn bed overeind zo komen. Maar nu, na vier dagen? ‘Hij riekt nu al’ zeggen ze straks, het lichaam is al tot ontbinding over gegaan. Wat kan er dan nog van komen…?

Straks zal blijken dat de Heere ook met die onmogelijkheid raad weet. Maar eerst is vooral dit belangrijk: Hij is toch gekomen!

‘Beter laat dan nooit’ zeggen we wel eens tegen elkaar, maar dat is vaak slechts een schrale troost. Want ‘laat’ is vaak ’te laat’. Het pro­bleem is al te groot geworden of juist al opgelost. ‘Als je nu pas je gezicht laat zien, dan hoeft het voor mij niet meer.’ Teleurgesteld.

Zo bent u misschien ook wel teleurgesteld geraakt in God. Op het moment dat u Hem het hardst nodig had was Hij er niet. Intussen zijn de problemen onbeheersbaar geworden. Of hebt u ze zelf al opgelost. Het hoeft niet meer…

Toch, hoe begrijpelijk ook, dat is een grote vergissing. Jezus is niet zoals een mens. Wat Hij geeft kan niemand anders geven. Waar wij mee zitten is voor Hem geen onmogelijkheid. En dan, wanneer u meent uzelf geholpen te hebben, wil Hij laten zien dat er bij Hem échte hulp is. Zo bezien is het nooit te laat voor Zijn komst. Behalve dan vanwege ons ongeloof, omdat wij het niet meer willen, omdat wij denken te kunnen beoordelen wanneer het nog zin heeft.

Als Hij komt, wijs Hem dan niet af. Twijfel niet aan Zijn macht en gewilligheid om toch te helpen, en om u veel meer te geven dan u ooit uzelf kunt geven. Als Hij komt, dan komt Hij nog steeds als een volkomen Zaligmaker. Hij neemt alles mee wat u nodig hebt, ook in die nieuwe nood.
Als Hij komt – hoe moet je dat zien? Is Hij niet reeds lang gekomen? Ja, dat is ook waar. Door Zijn Woord komt Hijzelf. Als het Woord open gaat hoort u Zijn stem, en als Zijn stem klinkt dan is Hij er en dan meent Hij het dat u moet en mag geloven. Wat dat betreft hebben we zo vaak aan Hem voorbij gezien. We sloegen Zijn waarschuwingen in de wind, we wezen Zijn nodigingen af…

Toch is er een voller komen. Denk aan Jesaja 40. Daar wordt een prediker opgeroepen om een goede boodschap te brengen. Wat moet hij dan roepen? ‘Zie, hier is uw God’ (vers 9). Het Woord is een belofte, en die belofte wil Hij vervullen, maar dan op Zijn tijd.

Nú mag (en moet) u de beloften Gods omhelzen; ze zijn het waard dat we er 100 % ‘amen’ op zeggen. Maar hoe God Zelf er in mee komt en uw ziel opzoekt, dat is aan Hem. Hij is niet verplicht om direct klaar te staan. Jawel, Hij hoort uw roep, per direct. Hij kan echter wel reden zien om achter te blijven met Zijn krachtige en genadige werking. Hij kan reden hebben om de nood te laten bestaan, ja te doen toenemen – terwijl Hij toch niet onverschillig is, niet werkeloos blijft en al helemaal niet machteloos.

O, als Jezus komt, dan heeft Hij alles bij Zich wat u nodig hebt voor vrede en vastheid en vreugde. Hij neemt de schuld weg, Hij geeft de moeden kracht, Hij verlost uit alle nood. Niet dat je dit direct ten volle voelt (dat komt hiernamaals), maar het is er wel, in Hem Die komt. Zoals hier bij Martha en Maria. ‘Zo Hij vertoeft, verbeid Hem want Hij zal gewisselijk komen en niet achterblijven!’ Hij is nog Dezelfde als toen, vast en zeker.

M. van Reenen V.d.m.

Maar Ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken.
(Johannes 11:11)

Straks zijn de kerstdagen voorbij, dan komt het einde van het jaar. Daar werken veel mensen naar toe. ‘Het lijkt wel of er geen nieuw jaar meer komt,’ zo vertelde een ondernemer: iedereen wilde dat dít jaar de klus af zou komen. Afwerken. En dan? Weer bij 0 beginnen. In het nieuwe jaar moet het anders gaan, beter. Een schone lei, nieuwe voornemens. De oude rommel begraven in het oude jaar.

Van die goede voornemens komt natuurlijk maar weinig terecht. Dat komt doordat de persoon dezelfde blijft. Je neemt jezelf mee. Je kunt je oude agenda weggooien, je oude kleding, je oude meubels desnoods – maar jezelf neem je mee. Er is echt iets anders nodig om werkelijk opnieuw te beginnen. De Enige Die daarvoor zorgen kan is Christus.

Hier horen we Hem in gesprek met Zijn discipelen over Lazarus. Eerst heeft Hij twee dagen gewacht, maar nu vertelt Hij dat ze die kant op gaan. Om wat te doen? Om Lazarus wakker te maken. Dat begrijpen de discipelen niet. Slapen is toch gezond voor een zieke?! Maar zó bedoelt de Heere het niet. Hij wil Lazarus opwekken uit de slaap des doods. Op dit moment is dat voor de discipelen nog geheimtaal, maar Jezus weet precies wat Hij zegt. Waarom gebruikt Hij deze woorden? Omdat wat er nu gaat gebeuren zo’n diepe les geeft van Zijn werk.

Wat gaat er gebeuren? Lazarus zal uit de dood opstaan. Dat weet de Heere zeer nauwkeurig. Lazarus is gestorven, en niemand zal er meer iets aan kunnen doen – behalve Jezus. Hij moet er bij komen, en Hij zál komen. En waar Jezus komt, daar moet de dood wijken.

De dood, die Hij hier een slaap noemt. Een slaap, omdat Lazarus mag rusten. Maar een slaap, ook omdat het in het geestelijke precies zo lijkt. Wij belijden dat we geestelijk dood zijn. Dood in de zonden en de misdaden. Maar dat geloven we niet zo. Immers, we doen van alles. En we doen ook nog nuttige en liefdevolle en godsdienstige dingen.

Maar bekijk het dan eens als een slaap. Je ziet het lichaam nog wel ademen, maar het kan niets. Er is leven – maar toch geen leven. Geen werkzaamheid, geen nut, geen contact. Je zou kunnen zeggen: wat heb je nu aan iemand die slaapt…? Nu ja, dan moet je diegene wakker maken, dan is het probleem zo over, toch? Ja, maar uit déze slaap kan niemand je wakker maken. Het is als een coma. Hier is er maar Eén. Als Hij er niet aan te pas komt, dan blijven we steken in de slaap, dan kunnen we onmogelijk opstaan tot eer van God, en dan zullen we eenmaal eeuwig moeten zwijgen…

Maar wat een belofte! ‘Ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken!’ De Heere Jezus gaat. Hij gaat de hemel uit, Hij komt op aarde. Andersom zou onmogelijk gaan: Lazarus kon niet naar Hem toe, een bewusteloze zondaar kan de hemel niet bereiken. Daarom is Hij gekomen. ‘Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen!’ (Psalm 40). En zo mag het deze kerstdagen klinken: ‘Zie, Hij komt, o zondaar, om het hele werk te doen!’

En wat is Zijn werk? In de kern: mensen uit hun doodslaap wakker roepen. Nieuw leven geven. Een leven uit God en met God. Een leven dat nooit meer verdwijnen zal maar zal duren tot in eeuwigheid. Een leven waarin je echt leeft. Je ziet wat eerst duister was, je gaat begrijpen wat voorheen niet landde: ‘O, is dít de waarheid, o, waarom heb ik niet eerder begrepen waar het om gaat, waarom heb ik niet eerder gezien dat God zó is…?!

Dit nieuwe leven groeit uit Zijn leven. Zijn stem heeft de kracht om je op te wekken, Zijn liefde om je te veranderen. ‘Wie in Christus is, die is een nieuw schepsel.’ En dat heb je nodig. Alleen een nieuw jaar (of nieuwe kleding, een nieuw huis,  een nieuwe kerk) verandert niets. Maar als Hij je opgewekt heeft, dan kun je echt zeggen dat het oude achter je ligt.

Is dat echt zo? Je sleurt toch je oude bestaan nog voortdurend met je mee? ‘Was het maar zo dat ik het oude achter me kon laten…’ O ja, er zijn zo veel herinneringen, je schaamt je zo, anderen vergeten niet hoe je was en zelf voel je nog dagelijks je oude natuur.

Maar zie op Jezus! In Hem is een volkomen vergeving en een volkomen vernieuwing. ‘Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij’. Het oude is er nog wel maar telt niet meer en heerst niet meer. Dat is ware vrijheid. Bevrijd van de slavernij van duivel, zonde en dood. Vrij voor Hem.

Alleen… als je dan toch nog dat oude zo ervaart, zo’n last hebt van jezelf? Zie op Jezus, leef dicht bij Hem en vraag om genade om niet bij het oude te leven maar in een ‘nieuw, godzalig leven’. En kijk vooruit. Straks is het oude echt voorbij, dan geen slaperigheid meer maar eeuwig ‘ontwaken tot onsterfelijkheid’.

M. van Reenen V.d.m.

Lazarus, onze vriend, slaapt.
(
Johannes 11:11)

Terwijl in Bethanië iedereen overstuur is, blijft Jezus in het Overjordaanse zo rustig alsof er niets aan de hand is. Eerst blijft Hij rustig twee dagen wachten, daarna vertelt Hij dat ze toch die kant op gaan, net alsof er geen Joden zijn die Hem met de dood bedreigen. Hoe duidelijk blijkt het, dat Hij Heere is! Niets kan Hem afbrengen van Zijn doel. Hoe het ook in ons leven stormt, nooit wordt Hij erdoor omver geblazen. Hij staat erboven.

En Hij staat er midden in! Hij is niet onbewogen, alsof onze zaak Hem niet ter harte gaat. Luister hoe Hij spreekt over Lazarus: ‘onze vriend’. Hij heeft hart voor hem, en voor allen die Hem toebehoren: ‘Ik heet u niet meer dienstknechten (…); maar Ik heb u vrienden genoemd.’ Hoort u het, die uw heil bij Hem gezocht heeft? Hij noemt u Zijn vriend(in). Zou Hij u dan kunnen laten vallen? Nee, zo is Hij niet! En als je nog buiten Hem staat? ‘Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt!’ O, wat een zaligheid als Hij je Zijn vriend wil noemen. Wat een zekerheid dat het dan niet meer verkeerd kan gaan!

De zegen is nog breder. Wie de vriend van Christus is, is het ook van andere christenen. Lazarus is niet alleen Jezus’ vriend maar ook die van Zijn discipelen. ‘Zoete banden die mij binden aan des Heeren lieve volk’. Je gaat elkaar herkennen, je mag liefde ontvangen, en je wilt ook liefde geven: ‘Zou ik niet liefhebben die U liefhebben?’ Dan kun je vanwege het geloof een hele vriendengroep verliezen terwijl je toch ten slotte méér vrienden krijgt dan ooit!

Het is rijk om geestelijke vrienden te hebben, maar het is zalig om Zijn vriend te zijn. ‘Een vriend is iemand die alles van je weet en toch van je houdt’ zo stond op een tegeltje bij mijn ouders thuis. Dat geldt van Hem ten volle: Hij weet alles van je! Dat geldt daar, in het Overjordaanse: Hij weet hoe het met Zijn vriend Lazarus gaat. Dat geldt nu, vanuit de hemel ziet Hij al de Zijnen: ‘Ik weet uw werken en waar gij woont’. Hij kent het hart en heel de toestand van ons leven.

En ook de toestand van het sterven. Hij heeft in Zijn geest ge­zien hoe Lazarus zijn laatste adem uitblies. Dat vertelt Hij nu aan Zijn discipelen. De toestand van de ene gelovige gaat ook de andere aan. Niet voor niets dat we in de kerk ook elkaars noden benoemen!

‘Lazarus, onze vriend, slaapt’. Je zou zeggen dat Hij er wat omheen praat, omdat Lazarus gestorven is. Omfloerst taalgebruik, zoals politici dat gebruiken als ze vervelende beslissingen bekend maken.

Alleen… zo is de Heere Jezus niet! Hij draait nooit ergens omheen, Hij spreekt de waarheid, want Hij is de Waarheid. Hij gaat eerlijk met ons om, ook dan als het ons pijn doet. Waarom dan deze woorden?

Ze zijn waar, dat sowieso. En ze zijn ook wijs. De Heere Jezus is wel eerlijk maar niet bot. Hij is pastoraal, Hij heeft het hart van een goede Herder. Terwijl Hij Zelf volkomen rustig is, voelt Hij wel aan hoe gespannen sommige van Zijn discipelen zijn. Daarom gaat Hij voorzichtig met hen om. In Zijn woorden bereidt Hij hen voor op dat heel pijnlijke van de dood.

En meer dan dat. Hij wil hen hiermee ook anders naar de dood laten kijken. De dood die zo definitief is. Voorgoed valt de scheiding, nooit meer kun je elkaar spreken, nooit meer ook maar even iets aan de ander laten zien, zijn of haar goedkeuring horen. Nooit meer het vuur van de liefde aangewakkerd krijgen, nooit meer vragen naar het werk van God.

Maar nu zegt hier de Heere, dat het ‘nooit meer’ niet ten volle geldt. Het is niet waar dat met de dood alles voorbij is. De dood is als een slaap. En niemand zal zeggen dat met de slaap alles voorbij is! Je zegt elkaar ’s avonds genacht en je verwacht dat je elkaar morgen weer spreken kunt. In die nachtslaap heerst er stilte, dan is er geen gesprek, geen vonk die overslaat. Maar morgen weer!

Zo is het toch ook met de dood. Die is slechts een scheiding voor even. Om straks weer elkaar te begroeten, in die nieuwe morgen. Wat dat betreft niet anders dan een slaap. ‘Ontslapen’ zo hebben de Statenvertalers het weergegeven.

Dit woord wordt in het Oude Testament ook wel gebruikt voor ongelovigen, maar in het nieuwe telkens alleen voor gelovigen. Alleen van hen geldt het echt, dat de dood ten diepste niet anders is dan een rustperiode.

En wat een zegen kan de slaap zijn. Na een vermoeiende dag, met een hoofd vol gedachten – als je dan in slaap mag vallen en ’s morgens ver-frist ontwaken, dan merk je hoe goed het je gedaan heeft. Zo zegt de Heere tegen Zijn moegestreden kinderen: ‘Kom, je mag gaan slapen.’ ‘Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid.’

Wat een zegen als Christus van je zegt dat je slaapt. Hij weet het immers. En… Hij houdt de Zijnen ook dan in Zijn armen.

M. van Reenen V.d.m.

“Indien iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet.”
(Johannes 11:9)

Van uitstel komt bij de Heere Jezus geen afstel. Na het verzoek om snel bij Lazarus te komen heeft Hij twee dagen gewacht, maar dan vindt Hij het toch tijd om te gaan. Terug naar Jeruzalem, de stad waar Hij nog kort geleden met Zijn discipelen vandaan is gegaan.
Waarom is Hij daar eigenlijk weg ge­­gaan? Zijn discipelen kunnen het zich nog goed herinneren. Men pro­­beer­de Jezus te grijpen omdat Zijn woorden niet bevielen (Joh. 10:39). En ze voelen wel aan: als ze Hem gepakt hadden, dan was Hij Zijn leven niet zeker ge­­weest! Daarom zeggen ze dat ook te­gen hun Meester: ‘De Joden heb­­ben geprobeerd U te stenigen!’ Bent U vergeten hoe gevaarlijk het is in Je­­ru­zalem? Als we nu naar Beth­­a­nië gaan, dan zullen ze U vast en zeker alsnog grijpen. Dat wordt Uw dood, en misschien ook wel de onze…

Zo redeneren de discipelen, en gelijk hebben ze – menselijk gezien. Je moet jezelf niet zomaar in gevaar brengen. Het is goed om iemand te willen helpen, maar je moet ook om jezelf denken…

Dit alles moge dan waar zijn, maar het is toch buiten God gerekend. Inderdaad geeft de Heere ons de opdracht om zorgvuldig met ons leven om te gaan, maar Hij geeft ook de opdracht om voor anderen te zorgen. Dat is soms een dilemma, of zelfs een spagaat. Moet je nu de ander maar aan zichzelf overlaten, of moet je over je eigen grenzen heen gaan…?

Hoe gaat de Heere Jezus met dit dilemma om? Vreemd, Hij heeft het er helemaal niet over! Hij hinkt niet op twee gedachten, van de ene naar de andere plicht, maar Hij kijkt verder. Van Wie komt de plicht? De enige plichten die echt je plicht zijn komen van God (daarom ook moest een slaaf gehoorzaam zijn ‘voor de Heere’, Kolossenzen 3:23). Maar geeft deze God alleen opdrachten? O nee, Hij geeft veel meer. ‘Hij zal genad’ en ere geven, Hij zal hun ’t goede niet in nood onthouden…’

En daarop ziet nu de Heere Jezus. Hij weet Zich volkomen verbonden aan Zijn Vader en weet Zich veilig bij Hem. Hij weet Zich alleen bij Hem veilig. Als Hij één stap naast de weg van Zijn Vader zou zetten, dán zou het gevaarlijk zijn. Of als Hij zou weigeren om de weg te gaan.

Omdat aan Zijn discipelen en ons duidelijker te leren gebruikt Hij het voorbeeld van dag en nacht. We kunnen ons het goed voorstellen, dat er in het bergachtige landschap rondom Jeruzalem wegen waren waarvan men zei dat het gevaarlijk was. Steile hellingen, scherpe bochten, rotsblokken op de weg. Je kunt daar zomaar struikelen, vallen, omkomen!

Toch is dat niet helemaal waar. Het hangt er erg vanaf wanneer je gaat. Als je ’s nachts gaat, ja dan is het er gevaarlijk. Dan is zelfs een gladde weg nog gevaarlijk! Maar als je overdag gaat en je kunt de loop van de weg overzien, je kunt de rotsblokken zien liggen, je hebt op tijd in de gaten waar afgronden zijn – dan is het gevaar zo groot niet.

Met degene die ’s nachts wandelt bedoelt de Heere Jezus iemand die naar eigen inzicht handelt. Niet naar de wil van God, niet in opzien tot God. Zo iemand mist het licht, het zicht, de veiligheid. Dan is in feite iedere keuze vol risico’s, dan is iedere levensweg gevaarlijk.

Met degene die overdag wandelt bedoelt de Heere Jezus iemand die in Gods wegen gaat. ‘Ik wandel in het licht met Jezus’. Ja, op die weg zijn gevaren, risico’s, zorgen – maar die kunnen je niet schaden. Wie in Gods wegen gaat, die gaat altijd en overal veilig.

Dit kunnen we verkeerd opvatten. Het is niet zo, dat iemand die in Gods wegen gaat nooit duisternis ervaart (vergelijk Jes. 50:10). Duisternis in de omstandigheden, duisternis in de beleving, duisternis in de toekomst. Maar er is toch iets dat licht is: ‘Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.’ En nog dieper: het licht van Gods genade: ‘Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen’. Daarom, hoe veilig is het om in Zijn wegen te gaan, hoe zeker reis je dan!

Is dat zo? Kan er op die weg niets gebeuren, zijn daar geen gevaren? Daar in Jeruzalem, daar waren toch Jezus’ vijanden, en zij hebben ten slotte Hem toch gegrepen?! Dat is waar, toen en nu: ‘Veel wederwaardigheên, veel rampen zijn des vromen lot’… Maar dat is niet bepalend. Dat gaat slechts over het tijdelijke lot. ‘Vrees niet voor hen die het lichaam kunnen doden maar de ziel niet kunnen doden!’ Wie in Gods handen ligt zal nooit uit Zijn handen vallen.

En andersom…! Wie in de duisternis van zelfgekozen wegen wandelt, die kan soms tijden lang gemakkelijk voorwaarts gaan – maar een keer komt de afgrond die je niet gezien hebt. Het is dan wel tijdelijk gemakkelijk maar eeuwig gevaarlijk. Leven achter de Heere aan of leven zonder de Heere: een verschil van dag of nacht…

M. van Reenen V.d.m.