“En een zekere vrouw met name Martha ontving hem in haar huis.”
(Lukas 10:38)

De Heere Jezus had als mens nagenoeg niets in bezit. Zelfs geen kussen (Luk. 9:58). Maar in Galilea was wel een huis waar Hij woonde (Joh. 1:40); als Hij daar was, dan kon er gezegd worden dat Hij ‘in huis was’ (Mark. 2:1), dus daar was Hij thuis. Het huis was dan wel niet Zijn eigendom, maar Hij kon er in- en uitlopen, zoals Elisa in Sunem (2 Kon. 4:10).

Vaak was de Heere Jezus niet in Galilea maar in Jeruzalem. Daar had Hij niet zo’n eigen woonruimte. Meer dan eens verbleef Hij dan op de Olijfberg (Luk. 21:37). Maar als Hij binnen wilde slapen, dan moest Hij het hebben van iemand die zijn woning voor Hem open stelde. Dat kon niet iedereen, want wie de Heere Jezus ontving, kreeg Zijn discipelen er bij, twaalf mannen in elk geval.

En zo’n gastvrije woning kwam er! We weten niet wanneer het gebeurd is, maar op een keer werd de Heere Jezus in Bethanië hartelijk uitgenodigd om binnen te komen, om de maaltijd te gebruiken en te overnachten. En daarna was Hij telkens weer welkom als Hij in Jeruzalem kwam. Het kan haast niet anders of deze mensen zijn gedurende het optreden van de Heere Jezus geraakt door Zijn wonderen en Zijn prediking. In hun hart zijn geloof en liefde geboren. Zij wilden nu zo graag iets terugdoen voor de Heere Jezus Die zo veel voor hen gedaan had…! Geen moeite was hen te veel.

Dit huis was van Martha, en in haar huis woonden ook haar broer Lazarus en haar zus Maria. Het feit dat deze mensen bij hun zuster inwoonden, betekent dat zij ongetrouwd waren. We hopen hen later nog wel eens tegen te komen. En Martha, was zij ook ongetrouwd? Dat idee hebben we vaak, maar dat is waarschijnlijk niet het geval geweest. We komen Martha namelijk nog een keer tegen, vlak voor het sterven van de Heere Jezus. Daar is zij aan het dienen (Joh. 12:2) ‘ten huize van Simon, den melaatse’ (Matth. 26:1). Het huis van Martha is dus hetzelfde huis als het huis van Simon – oftewel: Martha is getrouwd met Simon.

Waarom wordt het huis van Simon dan hier Martha’s huis genoemd? Dat laten we liggen voor de volgende keer. Voor nu staan we stil bij het feit dat deze Martha haar huis open stelde voor de Heere Jezus. Daarin liggen belangrijke lessen voor ons. Ik noem er nu twee.

In de eerste plaats het belang van herbergzaamheid. Wat is het mooi om te zien als mensen hun huis open stellen voor anderen. Dit is een Bijbels gebod (Hebr. 13:2). En veel Bijbelheiligen zijn ons hierin tot voorbeeld, zoals Abraham, Lot, Simon de lederbereider, Lydia, Aquilla en Priscilla. Zij stelden hun huis open voor anderen, en wel in het bijzonder voor broeders en zusters (3 Joh:8).

Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden. Een zo groot huis als Martha had niet iedereen in Bethanië, niet overal pasten de Heere Jezus met Zijn discipelen. En zo heeft nu niet iedereen ruimte om vluchtelingen op te vangen, gastgezin te zijn voor pleegkinderen of de hele familie te laten logeren. Maar ook een klein huis kan gastvrij zijn. En echte gastvrijheid betekent, dat je hen wilt ontvangen van wie je niet zoiets terug kunt krijgen (Matth. 5:46). Niet voor de gezelligheid dus maar uit liefde. In het besef dat niets van wat je hebt van jezelf is: je huis niet, je keuken niet, je eten niet, je bed niet. ‘Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?’ (1 Kor. 4:7).

Er is één plaats waar we dit echt kunnen leren: ‘Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden’ (2 Kor. 8:9). Maar deze gevende liefde van de Heere Jezus kennen we zomaar niet. Van nature begrijpen we die niet en beantwoorden we die niet. Daarom is er nog iets anders nodig, en dat is onze tweede les.

Zoals Martha de Heere Jezus ontving in haar huis, zo moeten wij Hem ontvangen in ons hart. ‘Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop’ (Openb. 3:20), zo klinkt Zijn roepstem. Hij klopt, opdat Hij binnen mag komen om in ons hart te wonen. Te wonen ja, niet slechts te logeren. Dat is Zijn wens. Wat een wonder van genade, dat Hij in een mensenhart wil wonen. Een hart waar van nature geen plaats is. Daar komt toch plaats, daar maakt Hij plaats door Zijn roepstem. Zó staat het er immers: ‘indien iemand Mijn stem hoort en de deur open doet, Ik zal tot Hem inkomen’! Wie Zijn stem echt hoort, van diegene gaat het hart open. Als je de kracht en de liefde van Zijn stem geproefd hebt, kun je geen weerstand meer bieden. ‘Kom in mijn hart, Heer’ Jezus’.

En dat wordt ook het verlangen dat Hij er blijft. De profeet roept uit: ‘Waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?’ (Jer. 14:8). Maar Hij belooft, niet weer te vertrekken: ‘Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken’ (Joh. 14:23).

Ds. M. van Reenen

Geliefde, voor alle dingen wens ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart.
(3 Joh. vers 2)

‘Is het een jongetje of een meisje? Ach, het maakt eigenlijk ook niet uit, als het maar gezond is.’ Gezondheid is belangrijk voor ons! En economische voorspoed. Hard werken, geld verdienen – en als je ziek wordt zoeken naar de beste behandeling om toch weer beter te worden. Dan doe je het goed, toch…?

Welvaart en gezondheid – dat lijkt ook wat Johannes het belangrijkst vindt. Immers, hij wenst dit zijn lezers toe ‘voor alle dingen’. Maar vreemd, dat hij in de rest van de brief geen adviezen geeft over een goede baan, gezond voedsel of iets dergelijks. Het gaat hem verder in alles om een geestelijke houding in de gemeente. Dus om geestelijke gezondheid en geestelijke welvaart. Als hij hier dan zegt: ‘voor alle dingen wens ik…’ dan bedoelt hij, dat hij dit vooraf wil benoemen om het niet te vergeten. Dus wel als eerste, niet als belangrijkste. Het belangrijkste is voor hem de ziel.

Dáárvoor heeft hij in zeker opzicht niets meer te wensen. Met de ziel gaat het al goed! Daar hoeft Johannes niet eens naar te vragen. Dat is opmerkelijk. Als wij iemand ontmoeten vragen we vaak: ‘Hoe gaat het met je?’ Je weet immers maar nooit. Misschien draagt de ander wel een onzichtbare ziekte bij zich of een stil verdriet. En daarom die vraag: ‘Gaat het echt goed met je?’

Bij het zielenleven geldt dat nog veel meer, zou je zeggen. Hoe het met je ziel gaat, dat is verborgen. Zelfs voor jezelf toch wel eens: wie peilt zijn eigen hart nu echt? En dat van een ander nog minder. Wie zijn wij om te kunnen beoordelen of iemand een levend kind van God is, het waarachtige geloof kent, naar de hemel gaat?

Dat is waar, en toch ook niet. Mensen die menen dat het geloof onzichtbaar is en dat je er bij een ander maar het beste van moet denken, worden door Jakobus terechtgewezen (Jakobus 2:18). Ook Johannes vindt duidelijk niet, dat het echte geestelijke leven onzichtbaar kan blijven. Hij wéét van de ouderling aan wie hij schrijft dat zijn ‘ziel welvaart’. Hij hoeft het niet eens te vragen. Hoe kan dat?

Wel, dat is hem gebleken uit getuigenissen. Johannes hoort zulke goede verhalen over hem! Hij hoort van bezoekers over waarheid, trouw en liefde (vers 4-6). Allen getuigden ervan dat hij leefde voor God en zijn naaste. En dat betekent dus ook: dat hij niet meer leefde voor zichzelf. Deze ouderling kende de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe. Het leven met de Heere kent wel een ‘verborgen omgang’ maar blijft niet verborgen.

Wij moeten maar niet roemen in onszelf, maar toch wel de vraag stellen of anderen zo’n goed getuigenis van ons zouden kunnen geven. Vaart uw ziel wel? Dat is de belangrijkste vraag van ons leven. Een gezonde ziel betekent leven, een zieke ziel betekent de dood. Ziel verloren is al verloren, maar ziel behouden is al behouden!

Maar… hoe weet Johannes dat het nú goed gaat met degene aan wie hij schrijft? Zou die intussen niet zijn gaan kwijnen? Ja, in het lichamelijke kan dat zo zijn: vandaag gezond, morgen bij de dokter, volgende week in het graf. Zou het zo ook niet kunnen gaan met onze geestelijke gezondheid? Jawel…! Als het aan ons ligt zullen we onze gezondheid zeker verliezen. Wat je vandaag ontving ben je morgen kwijt, wat je vandaag leerde ben je morgen vergeten, wat je vandaag aan goeds deed maak je door de zonde van morgen weer ongedaan. Maar…!

Hier komen we bij het diepste geheim van het zielenleven. Dat is niet uit de mensen maar uit God. God is het Die aan de ziel het leven geeft, Hij is het ook Die het bewaart. Zoals Paulus schrijft: ‘Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus’ (Filipp. 1:6). Wat een zegen dan om jezelf kwijt te raken, om niet langer zélf te willen weten wat goed voor je is. Zodat van je gezegd kan worden: ‘Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God’ (Kol. 3:3).

Dan gaat het geestelijk goed, en ja, dan kun je ook hopen op lichamelijk welzijn. Want ook het lichaam is van God en gezondheid is Zijn gave. Maar als Hij je ziel gezond maakt, ga je anders denken over gezondheid. Dan wordt je eigen welzijn niet meer zo belangrijk, wel dat van anderen. Dat zien we aan de wens van Johannes, dat zien we ook aan het leven van de ouderling aan wie hij schrijft. Hij heeft alles gedaan wat hij kon om het ‘de broederen en de vreemdelingen’ naar de zin te maken. Niet zozeer met uitwendige gaven trouwens, maar met hartelijke gastvrijheid.

Zo hoop ik dat we betrokken mogen zijn op elkaars welzijn. In het tijdelijke leven, maar veel meer in het geestelijke. Om de tekst maar aan te passen en toe te passen: ‘Geliefden, voor alle dingen wens ik dat uw ziel welvaart’, en ik bid of de Heere ons hiervoor wil gebruiken.

Ds. M. van Reenen

De God nu des vredes, Die de grote Herder der schapen door het bloed des eeuwigen testaments uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is door Jezus Christus, Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
(Hebreën 13: 20 en 21)

De apostel is aan het einde van zijn brief gekomen. Tijd voor een zegenwens. Hij wijst daarin van zichzelf af naar God. Dat is maar het beste ook want wij kunnen elkaar geen zegen geven. De God des vredes geeft datgene dat wij alleen kunnen toewensen. Dat is om te beginnen vrede met God. Die vrede wordt ons in het Evangelie verkondigd en daarin ook metterdaad medegedeeld. Wij ontvangen die namelijk door het gehoor van de vredeboodschap en door de inwerking van Gods Geest. Het staat alleen dan goed met ons als wij die vrede met God hebben leren kennen. Hebt u vrede met de God des vredes en van de God des vredes?

Dan is Christus zeker voor u geen onbekende meer. De God des vredes heeft namelijk Hem uit de doden wedergebracht. Daarin ligt de vrede verankerd. Hij wordt hier genoemd de grote Herder der schapen. Dus wordt Hij duidelijk onderscheiden van alle andere herders. Hij is de Herder die met Zijn bloed het eeuwige testament heeft bevestigd. Door de opstanding uit de doden is dat testament van Godswege rechtsgeldig en onherroepelijk geworden. Alle schapen die Hem toebehoren hebben nu aandeel in dit testament, dat nooit meer vervallen kan. Al die schapen horen en herkennen Zijn stem. Daaraan kunt u weten of ook u/jij in dat eeuwige testament staat. Dan kan het niet meer stuk!

Nu zegt de apostel dat God, Die dat in Christus tot stand heeft gebracht, hen ook volmaken zal. Ja, er is bij al Zijn schapen nog genoeg wat ontbreekt. Het testament ligt er door Zijn bloed en opstanding volmaakt bij. Daar hoeft niets meer aan toe te worden gedaan. Maar de uitwerking ervan bij de schapen is nog lang niet af. Alleen hij die volmaakt is, hoeft niet meer volmaakt te worden. Daar horen wij dus niet bij. Vandaar de bede dat de God, Die door Jezus Christus vrede gaf nu ook Zijn werk voleinden zal. Hij kan en wil u toerusten in alle goed werk. Het zal namelijk uit de handel en wandel moeten blijken of wij waarlijk eigendom van die grote Herder der schapen zijn en werkelijk met God verzoend. Het komt niet aan op verhaaltjes en praatjes maar het gaat om de praktijk der godzaligheid. Daaruit zal blijken of wij een ware christen zijn of niet. Daarom staat er ook dat het gaat om gehoorzaamheid. Het is een kwestie van Zijn wil doen. Niet meer jouw eigen wil en zin, maar de wil des Heeren en dat van harte.

Wij moeten echter niet denken dat gehoorzaamheid een soort tegenprestatie van ons is in ruil voor de ontvangen genade. Het is niet een achterafbetaling voor het verkregen aandeel in het testament. Nee, de heiligmaking is niet ons, maar Christus’ werk. De God des vredes bereidt je er toe en volbrengt dat in je. Hij leert je Zelf Zijn wil te doen. Ook dat heeft Christus door Zijn bloed voor de schapen verworven. Er staat nadrukkelijk dat de God des vredes Zelf in ons werkt datgene wat Hem welbehagelijk en dus aangenaam is.

Waar wij verzoening met God hebben gevonden, daar zal de Heere het ook voleindigen in het leven naar Zijn wil. En alle goed werk dat daardoor tevoorschijn komt, kan alleen maar Hem behagelijk zijn door Jezus Christus. Het is namelijk door ons zondige vlees nog altijd met zonde bevlekt en daarom moet het bloed van Christus er over heen gaan om het voor God heilig, welbehagelijk en onberispelijk te maken. Ook als de Heere het goede in ons werkt blijven wij zonder Christus nergens.

Altijd zijn en blijven wij op Hem aangewezen. Daarom eindigt de apostel met de lofprijzing op Hem. Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid, tot in de eeuwen der eeuwen. Dat zal waar en zeker zijn. Daar eindigen ook wij mee. Christus alleen de eer, ook van mijn ambtsbediening onder u. En van alles wat die in het leven van deze en gene onder u heeft uitgewerkt. Amen.

Ds. J.L. Schreuders

“En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! Toen raakte Hij hun ogen aan zeggende: U geschiede naar uw geloof”.
(Mattheüs 9:28 en 29)

Ook dit teken is geschied in Kapernaum. Daar had Jezus tijdelijk Zijn intrek genomen in een huis, misschien wel in het huis van Petrus. Onderweg daarheen waren twee blinden Hem gaan volgen. Wij lezen over hen in de andere evangeliën niet, maar de kort tevoren (het staat in hetzelfde hoofdstuk!) geroepen tollenaar Mattheus heeft het opgemerkt. Zij riepen al terwijl Jezus door het dorp ging: Zone Davids, ontferm U onzer. Het is een krachtige belijdenis, die nog niet eerder iemand had afgelegd. Wel had de duivel Hem al eerder als de Zone Gods erkend. Maar die merkte Zijn kracht op waar hij niet tegenop gewassen was. Nu komt de belijdenis van de kant van twee mensen, die Jezus nodig hebben gekregen. Zij zeggen dat Hij de beloofde Messias is. De gezalfde Koning, Die duizend jaar geleden al aan David was toegezegd. Vlees en bloed kan hen dat niet hebben geopenbaard. Dit moeten zij van de Vader, Die in de hemelen is geopenbaard, hebben geleerd. Nee, zij zijn zo blind niet, deze blinden. Zij zien meer dan vele anderen. Hun zielenogen zijn al geopend eer die van hun hoofd geopend zijn. Zij roepen om ontferming. In de grondtekst staat dat vooraan. De woordvolgorde is daar: Ontferm U onzer, Zone Davids. Zij hebben barmhartigheid nodig. Kyrieleis.

Ziet u zichzelf ook al over de Pyramideweg gaan, als Jezus door dit Schoonoord aan het IJsselmeer zou gaan? Alleen of met zijn tweeën, roepende en zeggende! Of zou u zich daarvoor schamen? Ik zeg u: als dat zo is, dan is er geen nood. Waar echte nood is en de vaste overtuiging dat Hij de Zoon van David is, Die gekomen is en onze nood de baas kan, daar schaamt men zich niet. Hoelang de weg nog geweest is die zij af te leggen hadden, dat weten wij niet. Maar zij zijn Hem gevolgd. Zo dichtbij als maar enigszins mogelijk was. Hoort u ze roepen? Zoon van David, ontferm u over ons.

En dan is Jezus bij Zijn huis aangekomen en gaat daar binnen. En nee, zij blijven niet buiten staan. Als het om Hem te doen is, dan houd je geen halt. Wij zien dat Jezus hen pas nu aanspreekt. Onderweg heeft Hij dat blijkbaar niet gedaan. Hij laat ons wel eens vaker een poos roepen. Dat is om op de proef te stellen en om te zien of het roepen meer is dan een verdwaalde schreeuw, die spoedig over gaat. Waar je al te gauw weer zwijgen kunt, geldt hetzelfde als wat we daarnet zeiden: er is geen nood. Inmiddels heeft iedereen die erbij was, kunnen zien dat het bij deze twee mannen serieus was. Dat is ook een les voor ons. Je stopt toch niet al te snel? Niet eerder ophouden dan totdat je bij Hem bent gekomen. Zij kwamen tot Hem, zo staat er. Zij zijn Hem tot in huis gevolgd.

Merkwaardig is dat zij dan niets meer aan Jezus hoeven te vragen. De roep om ontferming had luidkeels geklonken en dat was genoeg. Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Jezus weet wat “dat“ is. Zij weten het ook. Hij vraagt hen slechts naar het geloof. En ook die vraag is haast niet meer nodig. Waar oprecht geloof is, wordt alles zo eenvoudig. Hun roepen om ontferming zei genoeg. De titel, die zij Hem gaven niet minder. Het antwoord dat zij geven is dan ook heel ongecompliceerd en heel ter zake: Ja, Heere!

En dan geschiedt het wonderteken. Hij raakt hun ogen aan. Dat deed Jezus vaak. In die aanraking zit iets van het overnemen. Hij neemt het op Zich. Zo ging het ook bij de bloedvloeiende vrouw en bij het dochtertje van Jaïrus. Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij heeft alle zonde en ellende naar Zich toegetrokken. Daarvoor is Hij naar deze aarde gekomen. Ook dit wonder is een stukje prediking. Dat zijn alle wondertekenen geweest, die Jezus deed. Hij maakt ermee duidelijk wat Hij nog altijd doen kan. Blinden geeft Hij het gezicht. Dat was bij deze blinden al gebeurd eer zij met Hem in huis waren. Maar door hun ogen aan te raken laat Hij het aan ons allen zien: Hij kan dat, nog steeds. Al ben je zo blind als een mol. ’t Is de HEERE, Wiens mededogen, blinden schenkt het liefelijk licht. Maar nu geen blinden meer. Dit weet ik, dat ik blind was en nu zie. En eens komt de dag dat niemand meer blind zal zijn: lichamelijk noch geestelijk. U geschiede naar uw geloof. Dat betekent niet omdat je geloofd hebt, maar zoals je geloofd hebt. Er is dus alle reden om Hem in geloof na te volgen, totdat je door Hem geholpen bent. Dus roepen maar en komen maar!

Ds. J.L. Schreuders

“Doch Maria bewaarde deze woorden alle te samen, overleggende die in haar hart”
Lukas 2:19

De herders hebben bij de kribbe geen stommetje gespeeld. Toen ze het teken hadden waargenomen dat hen door de engel was gegeven- dat was het liggen in de kribbe!- wisten zij het zeker dat zij het juiste Kind gevonden hadden. Het engelenwoord was door een teken bevestigd en dan is er geen twijfel meer mogelijk.

Zij hebben toen overal en grondig verhaal gedaan van hetgeen zij in de velden van Efratha over Hem hadden gehoord. Ieder die daar in de buurt was mocht het weten: u is heden geboren de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere in de stad Davids. Het woord van de engel ging dus via mensenmonden verder. Zo is het tot op de huidige dag. Zij, die zich in Bethlehem bevonden hebben geen engel gezien. Zij hebben het evangelie uit herdersmonden moeten horen. En dat moet je vooral niet te min vinden. Zo werkt de Heere. Geen stemmen uit de hemel, daar moet je niet op zitten wachten. Je moet acht slaan op het gepredikte woord door mensen, die de schat in aarden vaten dragen. Door de dwaasheid der prediking maakt God zalig die geloven.

Bij velen werkte dat verwondering. Dat is uiteraard wel goed. Laat het daar vooral maar mee beginnen. Als u met Kerst met verveelde oren zit te luisteren en de bekende klanken zonder belangstelling over u laat heengaan, dan zult u weinig aan het Kerstfeest over houden. Komt, verwondert u hier mensen, ziet hoe dat u God bemint! Echter, als Lukas over verwonderen spreekt- en dat doet hij in het evangelie dat hij schreef nogal eens- dan heeft het vaak de betekenis van: zich verwonderd iets afvragen. Op zich is dat dus goed, maar het is toch niet genoeg. De aandacht is wel gewekt, maar dat is nog geen geloof van het hart. Als dat er maar op volgen mag, dan is het genoeg. Je kunt dan achteraf dankbaar zijn voor de verwondering waarmee het begon. Of er onder de “allen” die in de buurt van de kribbe waren en het relaas van de herders gehoord hebben, zijn geweest bij wie de verwondering geloofsverwondering is geworden, dat weten wij niet. Natuurlijk hopen wij dat van harte en er is geen reden om aan te nemen dat het bij niemand het geval was.

Wel maakt Lukas een tegenstelling: doch Maria. Bij haar ging het in elk geval verder dan bij de rest. Zij bewaarde deze woorden alle te samen. Een zelfde uitspraak komen wij in het boek Genesis tegen vanuit het leven van Jakob. Als Jozef zijn dromen vertelt over de schoven, die zich voor hem buigen zullen en de zon, maan en sterren die hetzelfde zullen doen, dan bestraft zijn vader hem weliswaar, maar toch bewaarde Jakob de woorden van Jozef in zijn hart. En vele jaren later heeft hij er de uitkomst van gezien. De dromen waren geen bedrog. Jakob en zijn zonen bogen zich allen voor de onderkoning van Egypte.

Gods woorden moeten bijeen bewaard worden en dat moet zijn in het hart. Verwondering ebt soms weer weg. Hoe vaak gebeurt het niet dat zij even snel is vergeten als dat zij is opgekomen. Waar het Woord in het hart wordt bewaard, daar wordt het bewaard zoals juwelen. Kostbare dingen moeten goed bewaard blijven. Je legt ze niet open en bloot zichtbaar in de vensterbank. Je doet ze bij elkaar op een geheime plek, waar mensen met verkeerde bedoelingen niet licht bij kunnen komen. Maak van je hart een schatkamer. Daar kan niemand bij. Laat de dieven maar komen. Niemand kan wegnemen wat God in mijn hart heeft gelegd. Alleen God kan erbij. Anders niemand!

Maria deed dat ook nog eens met beleid. Zij kiepte de juwelen niet zomaar in een kist, zodat alles door elkaar heen lag en er geen enkel overzicht meer was. Nee, zij legde die juwelen bijeen die bij elkaar hoorden en zij sorteerde ze op soort. Er staat namelijk dat zij ze overlegde in haar hart. Zij vergeleek hetgeen zij van de herders hoorde met wat zij zelf eerder van Gabriel en van Elizabeth gehoord had. Zij bracht het ene wat zij gehoord had in verband met het andere. Stellig betrok zij ook daarbij hetgeen zij wist vanuit het oude profetische Woord. Al vergelijkend en overwegend wist zij de woorden bij elkaar te brengen en tot een geheel te smeden. Het ene viel met het andere samen en zo viel het op zijn plaats. Zulk werk moet je in de schatkamer doen en dus in je hart. Om het dan vervolgens daar op te bergen.

Zult ook u/jij zo in de kerk zitten op de vierde adventszondag, op Eerste en Tweede Kerstdag, op de zondag daarna, op dankdag, oud en nieuw en op de zondagen van het nieuwe jaar? Wat zit er eigenlijk in dat hart van je? Laat toch door Woord en Geest de vuile troep eruit gooien. In een schatkamer behoren juwelen bewaard te worden, geen vuilnis. Laat het bij verwondering beginnen, maar dan moet ook volgen wat Maria deed. Breng het samen en berg het op. In het hart!

Ds. J.L. Schreuders

“Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden”.
(Jesaja 51:11)

Jesaja leefde meer dan een eeuw voor het begin van de ballingschap, die zeventig jaren zou duren. In de moderne bijbelwetenschap is het mode geworden om te zeggen: en dus kan Jesaja zeker niet over de verlossing uit Babel hebben gesproken. Die zou dus bijna nog twee eeuwen duren en dus heeft Jesaja er niets van meegemaakt. Dat laatste is zeker waar. Maar het is zeker zo, dat de Geest van God het hem over de eeuwen heen kan hebben laten zien. Zelfs Mozes heeft in het boek Deuteronomium over de wegvoering en terugkomst gesproken en dat was nog vele eeuwen eerder.

Onze tekst is een van de vele bewijzen dat er geen twee Jesaja’s zijn geweest nl. een van hoofdstuk 1-39  uit de tijd van Hizkia en een van hoofdstuk 40 en volgende, die na de ballingschap zou hebben geleefd. Onze tekst komt namelijk haast woordelijk overeen met Jesaja 35:10. Een en dezelfde Jesaja ziet in beide gedeelten het heil van de toekomst, dat eerst in de verlossing uit Babel, daarna in Christus en ten laatste bij de voleinding der wereld tot stand zal komen. De profeet kan in dit gedeelte bijna geen woorden genoeg vinden om het ongetrooste volk van God te bemoedigen. Het hele gedeelte is dan ook hoog van toon. Hij geeft hoog op van de Heere. Van Hem verwacht hij grote dingen. In de verzen hier vlak voor refereert hij aan de verlossing uit Egypte, hier Rahab genoemd. God was het Die de zeedraak (Egypte, Farao) vernietigde. Hij roept de Heere op om nu hetzelfde te doen als toen. Waak op, ontwaak, trek sterkte aan, Gij, arm des Heeren! Gij hebt immers een weg gemaakt waar geen weg was, door de diepten van de zee. De verlosten gingen er door. Zijn gelosten, staat er eigenlijk.

Zal het dan nu niet precies zo kunnen geschieden? Is God veranderd, is Zijn arm verkort geworden? Geen sprake van! Ook nu zullen de vrijgekochten wederkeren. Daar staat een iets ander woord in de grondtaal dan het woord gelosten. Maar wel worden dezelfde mensen bedoeld. Zij, die een Losser hebben, Die hen vrijmaakt van Babel zoals eertijds van Egypte. Zij keren terug en komen in Sion. Wie klimt de berg des HEEREN op, wie zal die Godgewijde top voor ’t oog van Sions God betreden? Juist, dat zijn zij die de Heere vrijkoopt door het losgeld van Christus’ ziel , van Christus’ bloed. Een losprijs voor velen.

Beste lezer, ben jij al losgekocht en weet je daarvan? Dan is er in elk geval nog Iemand, Die er weet van heeft. Dan weten Christus ervan en Zijn Vader. Je hebt dan met Ruth gezegd: Gij zijt de Losser. Je hebt jezelf zoals zij aan Zijn voeteneinde gelegd op de dorsvloer. Zij zei: Spreid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd. En Boaz deed het. Die man rustte niet tot hij de gehele zaak ten einde had gebracht. Christus zal voor Boaz niet onderdoen. Denk dat maar niet. De Heere lost en koopt vrij, die om niet verkocht zijn. Zij zullen ook zonder geld gelost worden (Jes. 52:3). In die tekst staat in onze vertaling wel: gelost. Terecht! Christus is de grote Losser in de naam des Vaders. Weet Hij van u af omdat u bij Hem kwam en lossing bij Hem zocht? Dan ben je zeker een geloste en vrijgekochte.

Dan is er ook een grote toekomst voor je. Eeuwige blijdschap zal op je hoofd wezen. Vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen. Volgens mij is ook de vertaling mogelijk: vreugde en blijdschap zullen hen aangrijpen. Dat lijkt mij ook iets meer passen in het verband. Jij pakt de vreugde niet maar die pakt jou. Zij komen over je, op je hoofd. Zij zullen je bevangen, dat is misschien wel de mooiste weergave. Treuring en zuchting moeten daarentegen wijken. Waar Christus lost daar wordt de zondensmart verdreven. Daar komt zoals elders staat vreugde olie voor (in plaats van) treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Je raakt dat nare kwijt en je krijgt er veel beters voor terug. Je doet een goed ruil.

Voor wie is dat? Nou, het staat er toch: voor de vrijgekochten des Heeren! Zorg dat je daar bij bent! Want zij, die door het bloed van Christus van de aarde gekocht zijn, die beërven Gods koninkrijk in volle heerlijkheid.

Ds. J.L. Schreuders

 

Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen is, dat voleindigen zal tot op de dag van de Heere Jezus Christus
(Filippenzen 1:6)

Paulus zat in de gevangenis toen hij deze dingen schreef. Waar hij precies gevangen heeft gezeten dat weten wij niet. Het zou in Rome kunnen zijn, maar geheel zeker is dat niet. De gemeente van Filippi was door zijn arbeid ontstaan en wel op de tweede zendingsreis. Lydia en de gevangenbewaarder waren de eerste leden ervan geworden. Na Paulus’ vertrek is de gemeente blijkbaar niet alleen blijven bestaan maar ook verder gegroeid. Er is nu een gevestigd kerkelijk leven. Dat blijkt uit het feit dat er zowel opzieners als diakenen zijn. Zij worden in vers 1 samen met al de heiligen door Paulus gegroet.

Als de apostel aan hen denkt, dan vervult blijdschap zijn hart. Hij dankt en bidt God voor hen. Hij weet van hun gemeenschap met het evangelie. Hoe het begon en hoe het nu nog steeds is. Epafroditus, die hem namens de Filippensen een bijdrage gebracht had in de stoffelijke nood die Paulus had, zal het hem hebben verteld. Zij waren trouw gebleven aan het zuivere evangelie. Zij waren er hartelijk aan verbonden. Paulus mag het voor zeker houden- het is recht dat ik dit van u gevoel, zo zegt hij in vers 7- dat God een goed werk in hen begonnen is. Dat zegt hij zonder hun harten te kennen, want die kent God alleen. Hij spreekt naar het oordeel van de liefde en zo behoort dat ook. Wel zijn er ook de blijken ervan: zij leefden in woord en daad met hem mee terwijl hij gevangen zat. Dat waren echt blijken van het ware geloof en van liefde tot het Woord dat Paulus verkondigde. Er was dus geen enkele reden eraan te twijfelen of God was in hen Zijn goede werk aangevangen. Als er geen reden tot twijfel daaromtrent is, dan moet je dat vooral niet doen.

En dan spreekt Paulus tot hun bemoediging zijn vertrouwen uit. Het is geen vertrouwen in de Filippenzen. Zo van: jullie zijn allemaal zulke trouwe christenen, dus steek ik mijn handen ervoor in het vuur dat het met jullie allemaal wel goed zal komen. Vertrouwen op mensen moet je nooit stellen. Mensen kunnen alleen maar tegenvallen. Dat zie je wel aan Demas, die een naaste metgezel van Paulus is geweest. Hij kreeg uiteindelijk de wereld lief en verliet de apostel. Je denkt soms heel wat van iemand, maar als alle franje eraf valt, dan blijft er soms een lege doos over.

Paulus vertrouwt dan ook niet dat de Filippensen o zo gelovig zullen blijven omdat hij iets van hun goedheid verwacht. Hij vertrouwt op God!! Hij is een goed werk begonnen. Een goed geestelijk werk van geloof en bekering. Geloof is Gods werk. Hij begint het. Hij houdt het in stand en Hij vermeerdert het. Hij zal het ook eenmaal voleindigen tot op de dag van Christus. Daarmee is gewoonlijk de dag van de wederkomst bedoeld. Paulus hield er rekening mee dat hij die dag nog zou meemaken. Misschien mag je het met de kanttekening van de Statenbijbel ook zo opvatten: de dag waarop de Heere Jezus je uit dit leven tot Zich neemt. In elk geval: Hij maakt het af. Als het een goed werk is, dat Hij begon, dan kan het niet ophouden of verloren gaan. Wij beginnen er iedere kerkdienst mee: Die niet zal laten varen de werken Zijner handen. De volharding van het geloof is Gods werk in ons. Hij zal Zijn werk voor mij volenden (Psalm 138). God, die het aan mij voleinden zal (Psalm 57:3).

Dat is een geweldige troost. Zo zal het voor de Filippenzen geweest zijn. Zo mag het voor ieder zijn, die weet mag hebben van dat goede werk dat God in hem begonnen is. Niemand zal je dan nog rukken uit de handen van de Herder. Natuurlijk kan dat mooie blinkende goud ook misbruikt worden. Dat doet ieder die zich met schijngeloof op de been houdt. Hij vertrouwt er blindelings op dat het goed zal komen. Maar God is nooit iets in hem begonnen en dus maakt Hij niets af ook. Hij maakt niet jouw werk maar Zijn werk af. Als God van jouw geloof en van je bekering geen weet heeft, dan is het jouw inbeelding en dat gaat beslist over. Je moet dan maar niet rusten totdat je het ware geloof bezit in plaats van schijngeloof. Bekeer je van het zelfbedrog!

Ook kun je het misbruiken door er een hoofdkussen van te maken waarop je gaat luieren. Ziezo, het kan toch niet meer stuk. Het maakt nu niet meer uit, want God zal er hoe dan ook wel voor zorgen dat het voleindigd wordt. Weet u, dat is nu juist het bewijs ervan dat je geloof schijngeloof is. Het goede werk van God leidt niet tot vadsigheid. Het echte geloof bidt voortdurend: Verlaat niet wat Uw hand begon, o Levensbron, wil bijstand zenden. Als je weten mag dat het van de Heere is, dan mag je ook biddend en smekend weten en vertrouwen dat Hij er niet van af kan. En je mag dat ook vertrouwen van anderen in wie je hetzelfde werk van God openbaar ziet komen. God is getrouw. Je bidt ook om volharding. Je blijft dicht bij Hem. Je zoekt Hem zo min als mogelijk is te bedroeven. Wat een onuitsprekelijke vreugde geeft dan dat vertrouwen op de Heere. Het is immers Uw goede werk. Mijn geloof en mijn bekering zijn van U. De vruchten die ervan openbaar komen, zijn van U. Alles is van U en van mij is er niets bij. Daarom zult u er ook dwars door alles heen voor instaan.  U zult het voleindigen tot op de dag van Christus.

En als je soms nog twijfelt of het wel echt Gods werk is en dat Hij het Zelf in je begon? Ja, dat kan inderdaad aangevochten worden. Als je de kenmerken van het geestelijk geloof bij jezelf nagaat en je bij alles een onvoldoende hebt. Werp je dan toch op Christus, want dat is het beste kenmerk van Gods goede werk, dat er is. Dat je Hem niet missen kunt. Dan trekt God Zijn handen nooit meer van je af. Zeker weten.

Ds. J.L. Schreuders

 

“Weest uw voorgangers gehoorzaam en weest hen onderdanig; want zij waken voor uw zielen als die rekenschap zullen geven; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende, want dat is u niet nuttig.”
(Hebreeën 13: 17)

De apostel sluit zijn brief aan de Joodse christenen af met een aantal losse vermaningen. Het valt op dat hij tot tweemaal toe de voorgangers noemt. Daarmee bedoelt hij de leiders van de kerk en de gemeenten. In vers 7 doelt hij vooral op de leraars die zij gehad hebben. Zij hebben hen het Woord van God gesproken, dat staat in de verleden tijd. Zij zijn nu naar elders gegaan of niet meer in staat tot leidinggeven of misschien zelfs overleden. De apostel is er blijkbaar van overtuigd dat zij in de rechte zin gesproken en gehandeld hebben. Dus mogen zij niet vergeten worden. De beste manier om aan hen te denken is de navolging van hun geloof. Zij mogen vanzelf niet vereerd of verheerlijkt worden alsof zij halve christussen waren. Pas op voor mensverheerlijking. Dweep nooit met een bepaalde dominee of andere ambtsdragers. Til nooit enig dienaar noch van het heden noch van het verleden over het paard. Het kan niet lijden, want zij waren ook maar zondige mensen. Let liever op de uitkomst van hun handel en wandel als dienstknechten van Christus en zoek daar navolger van te worden. Sta ernaar te leven zoals zij geleefd hebben zoverre zij het goede hebben gedaan. Wij moeten-naar een woord van Calvijn-de deugden van de heiligen navolgen, niet hun ondeugden.

In vers 17 komt de apostel op de voorgangers terug. Dan gaat het kennelijk over de voorgangers, die nog in de actieve dienst ter plaatse bezig zijn. Je moet ze gehoorzaam zijn door hun woord aan te nemen. Ook hier gaat de apostel ervan uit – hij weet dan blijkbaar – dat het mannen zijn, die getrouw zijn in hun ambt. Want het is duidelijk dat dit niet het geval kan zijn als het om kwade leringen gaat zoals bijv. de Farizeeën brachten. Dan moet men zich juist voor hun zuurdesem wachten!

Nee, het gaat om mensen, die waken over je zielen. Die je waarschuwen voor je eeuwig verderf. Die je de weg der zaligheid verkondigen, die in Christus Jezus is. Die je roepen tot geloof en bekering. Die het Woord van God niet vervalsen maar het in oprechtheid zoeken te ontvouwen. Die het ook met hun levenswandel bevestigen. De apostel mocht zelf zo iemand zijn. Niet dat hij daar zo prat op gaat of een hoge dunk van zichzelf heeft. Maar hij zegt toch wel in vers 18 dat hij vertrouwt dat hij een goed geweten mag hebben en in alles eerlijk zoekt te wandelen. Dat is namelijk voor iedere dienaar van levensbelang. Wat zegt je geweten ervan? Waar is het je om te doen? Gaat het je echt om de eer en de zaak van de Heere? Gaat het je werkelijk om het heil van de zielen? Doe je alles in het besef dat je voor de mensen verantwoordelijkheid draagt? Jij zult voor hun zielen rekenschap geven. Als ze door jouw nalatigheid of verkeerde prediking verloren gaan, dan zal de Heere hun bloed van jouw hand eisen. Paulus zei tegen de ouderlingen van Efeze dat hij vrij was van het bloed van hen allen. Op voorgangers drukt een zware last. Daarom is een goed geweten heel erg nodig. Als je dat hebben mag is dat een kostbaar bezit dat ook niemand van je af kan pakken. Ook dan niet als mensen je proberen weg te zetten als was je slechts een namaakdominee. Gode zij dank voor dat goede geweten.

De apostel zegt dus dat de Joodse christenen aan wie hij schrijft hun voorgangers gehoorzaam moeten zijn en onderdanig. Zij mogen geen laster over hen uitgieten, hen niet kleineren en evenmin zich aan hun woord onttrekken. Zij moeten eerder voor hen bidden (vers 18). Zij moeten bedenken wat een hoge verantwoordelijkheid zij dragen. Zij moeten dubbele eer waardig geacht worden als zij op een goede wijze regeren en voorgaan. Allereerst vanwege het ambt waartoe de Heere hen geroepen heeft. Ten tweede vanwege het feit dat zij het getrouw en ijverig verrichten. Uiteraard geldt dit niet alleen voor de dienaren des Woords, maar ook voor de andere ambtsdragers. Er staat namelijk bij: voornamelijk die, die arbeiden in het Woord en de leer (1 Tim. 5:17).

Hoe staat het ermee in onze tijd? Heeft het Woord nog gezag? Heeft het ambt nog gezag? Is er nog eer en dubbele eer? Of kan er zomaar tweedracht worden gezaaid en bagger uitgegooid worden in kerken en gemeenten? Het gebeurt op meerdere plaatsen. Pas stond er een paginagroot artikel in het RD over hoeveel leed onheuse kritiek in pastorieën veroorzaakt. Het is een landelijk probleem, dat te maken heeft met de toename van mondigheid en brutaliteit onder de mensen. De vermaning van de apostel komt dus wel op tijd. Zij heeft aan actualiteit niets ingeboet. Het is een zaak, die niet alleen veel schade berokkent aan ambtsdragers, vooral dominees. Het is zeer tot schade van de kerk en tot smaad van de Heere!

De oproep van de apostel komt dan ook tot alle gemeenteleden. Wees hen onderdanig die waken over uw zielen. Bent u dat namelijk niet dan doet u hen zuchten. Zij zullen- als de Heere hen ondersteunt-onverminderd over u blijven waken. Zij verlaten de kudde niet. Dat kan ook niet. Wel kunnen zij soms zuchten. En het zou zoveel beter zijn als zij hun arbeid met veel vreugde zouden mogen doen. Dat is zoveel nuttiger. Voor u. Of ziet u liever een dominee, die gebukt gaat onder de zware last van het ambt omdat mensen die onnodig verzwaren? Daarom: zijt uw voorgangers gehoorzaam en zijt hen onderdanig. En…bidt voor ze!

Ds. J.L. Schreuders

“Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE,  ondersteunde mij. Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.’’
(Psalm 94: 18 en 19)

N.N. zo heet de dichter van deze psalm. Nomen Nescio, een naam weet ik niet. Het zou zomaar David kunnen zijn, maar niets is er zeker. Alleen God weet het.

Hij heeft een probleem, dat is wel duidelijk. Hij ziet dat de goddeloze mensen denken dat zij altijd maar hun gang kunnen gaan. Zij verbrijzelen Gods volk en menen dat niemand hen een voet dwars zal kunnen zetten. Ook God niet. De Heere hoort en ziet toch niet wat zij allemaal uitvoeren. Het is ronduit ergerlijk te moeten aanzien dat zij volgens dit principe te werk gaan.

Maar zou dat waar zijn, dat de zaak er zo bijligt?  Nee, de dichter is tot het inzicht gekomen dat God wel terdege alle dingen in ogenschouw neemt. Hij die oor en oog maakte, het kan toch niet zo zijn dat Hij Zelf blind en doof is? Nee, hij roept de Heere op om vergelding te doen. Dat de Heere toch niet door daarmee al te lang te wachten voedsel zou geven aan het ijdele denken dat Hij niets doet. Dat de Heere de boze mensen toch snel uit de droom zou helpen.

Ondertussen hebben Gods kinderen rustig de tijd af te wachten dat God gaat optreden. Wachten is vaak niet hun sterkste kant. Het moet bij ons het liefst gisteren al klaar zijn. Toch is hij welgelukzalig, die het nut van de onderdrukking weet en voordeel trekt zelfs uit het leed. Wie zich geduldig gedraagt en de roede kust (zegt de berijming prachtig) is goed af. God gaat namelijk zeker optreden. Je zult het zien. De hoogmoedige dwazen komen in de kuil door Hem gegraven terecht!

En dan wordt de dichter van vers 16 tot vers 19 persoonlijk. Hij komt zelf voor de dag. Het is niet zo dat hij het allemaal voor anderen heel mooi weet te zeggen hoe het zit. Van die mensen heb je wel eens. Zij kunnen praten als Brugman. Zus en zo gaat de Heere met Zijn kinderen om en dit en dat moet er worden gedaan. Maar het is allemaal theorie en geen praktijk. Zij weten hoe het moet en ze weten hoe het gaat. Alleen zelf hebben ze er geen enkele kennis aan. Zodra je ze vraagt wat er in hun eigen leven van aan te treffen valt, dan staat de wagen hortend en stotend stil. Er komen hooguit wat gemeenplaatsen los: het zal niet zomaar gaan en er zal nog heel wat gekend moeten worden. Dan is wel een ding duidelijk: dat zij er zelf helemaal niets van kennen. Bent u zo’n prater bij wie het in feite armoedetroef is? Ik zeg dat je er geen stap dichter door bij de hemel zult komen. Mijn ervaring is, dat het met zulke types- wat je ook naar voren brengt- trekken aan een dood paard is. Wees ervoor gewaarschuwd dat je niet zelf zo eentje wordt of blijft.

Gelukkig is in Psalm 94 niet een dergelijk type aan het woord. Hij weet tenminste waarover hij het heeft. Hij zelf is zo’n gelukzalig man, die op de Heere weet te wachten. Hij stelt zich namelijk de vraag wie het voor hem (“voor mij” 2 keer in vers 16!) tegen de boosdoeners op zal nemen. Hij weet het antwoord vanuit eigen ervaring. Dat is altijd beter dan tien keer hebben horen zeggen! De HEERE, dat is het antwoord. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn. Heel indrukwekkend is het wat hij zegt: Als Hij niet mijn Hulp was geweest, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. Het was haast over en uit met hem. Zo ik niet had geloofd…(puntje puntje puntje), dan weet je het wel, zo zegt Psalm 27.  En Psalm 124 zegt: zij zouden ons levend verslonden hebben en een stroom zou over onze ziel zijn gegaan. Onze hulp is in de Naam des HEEREN , Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Hij vult het nader in. Toen hij bij zichzelf dacht: Nu wankel ik en ik houd het niet vol, toen was Uw goedertierenheid er om mij te ondersteunen. Het was allemaal genade! Allemaal vrije gunst en trouw, die eeuwig Hem bewoog. Alles liefde, goedheid en ontferming. Dat alles zit namelijk opgesloten in dat meest volle woord: goedertierenheid (in de Statenvertaling een enkele keer ook wel met weldadigheid vertaald). Daar moet een arme zondaar het van hebben. Genade slaat de klok. Iedere keer weer als de HEERE een wankelende ziel overeind houdt. Het zal niet gebeuren dat de rechtvaardige ten val komt. Hoe weet je dat? Van mij, zegt de N.N. die in deze psalm aan het woord is. Ik heb het zelf ervaren. Een goed en leerzaam getuigenis.

Verkwikkende vertroostingen. Ja, ook die waren er. En wilt u weten wanneer die er waren? Juist op die momenten, dat mijn gedachten in mij zich vermenigvuldigden, zo zegt onze psalmdichter. Toen begon alles zich op te stapelen in de ziel. Het werden kluwen van gedachten, bergen waar hij niet over heen kon kijken. De gedachten van zijn hart verschrikten hem ook. Dat kun je op maken uit het woord: vertroostingen. Er was vrees, droefheid en angst. Al Gods kinderen worden daarmee van tijd tot tijd wel gekweld. Zij lopen erin vast. Het wordt donker in de ziel. En de overleggingen klommen maar, werden hoger en hoger. Toen, toen kwamen er boodschappen van vertroosting in zijn ziel. De Geest van God kwam met het evangeliewoord. Hij liet de vertroostingen (het waren er meer dan een) achter in de ziel. Het was als koud water voor een vermoeide ziel. Het was al kalmerende zalf op een heftig jeukende plek. Het was als balsem voor het hart. Verkwikkende vertroostingen komen bij de HEERE vandaan. Dat is van de drieenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Zijn woorden en beloften, toegepast door de Heilige Geest kunnen er wat van. Zij zijn geen doekjes voor het bloeden. De dichter mag het zelf tegen de Heere vertellen. Hij spreekt in vers 18 en 19 de HEERE aan. Vertel het Hem ook maar als je er weet van gekregen hebt. Zeg het Hem maar hoezeer dat je erdoor bemoedigd werd en vertroost en verkwikt. De Heere wil het horen en ieder ander mag het horen. Wat God doet aan een ziel, die het niet meer weet, bij wie de gedachten boven het hoofd zijn uitgestegen.

Onze God is allerminst blind en doof. Daarom zal Hij Zijn volk niet begeven en Hij zal Zijn erve niet verlaten (vers 14). Als deze God de onze maar is, door Jezus Christus, de Heere.

Ds. J.L. Schreuders

“Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.”
(Psalm 51:13)

Iedereen weet wel dat David deze psalm uitsprak en schreef na de bedreven bloedschulden met Bathseba en Uria. Het is een groot smeekgebed geworden om genade. Maandenlang had hij met zijn schuld rond gelopen. Schuld, die zeker wel knaagde aan zijn geweten (zijn sap werd veranderd in zomerdroogte) maar toch niet werkelijk schuld werd voor God. Hij verborg het. Totdat Nathan, de profeet, doel trof met zijn: Gij zijt die man. Toen werd het beleden schuld ten overstaan van de HEERE.

Een van de smeekgebeden die hij dan laat horen, heeft betrekking op de Heilige Geest. Nee, het was nog geen Pinksteren geweest- dat zou nog duizend jaar duren! – maar de Geest was er al van eeuwigheid af. En in Davids leven was de Geest al heel vroeg werkzaam. Hij vertrouwde al op God toen hij nog was aan de borsten van zijn moeder. Dat vertrouwen en steunen op de HEERE moet door de Heilige Geest zijn gewerkt. Van nature doet niemand dat. Ook Johannes de Doper was vervuld met de Heilige Geest van de buik van zijn moeder af. Hoe heerlijk is dat! Zo jong begenadigd.

Maar Gods kind viel in een ernstige zonde. Zeker, zonden zijn er iedere dag. Zij zijn dan ook dagelijks reden om ons voor God te verootmoedigen. Dat heeft David ook gedaan: Gedenk niet de zonden mijner jonkheid, noch aan mijn overtredingen. Zo heeft hij zich jaren lang in de godsvrucht mogen oefenen.

Inmiddels is hij koning geworden in Sauls plaats. Dan wil het nog wel eens gebeuren dat de zorgeloosheid toeslaat. Als het waken en bidden tegen de verleiding van de zonden verslapt dan kan men in grote zonden vallen. Dat is met David gebeurd. Het kan door eigen schuld met ieder die God vreest, gebeuren. Wat een duisternis komt er dan over je ziel. Je bedroeft de Heilige Geest bitter. Het gevoel van de genade is weg. Totdat Nathan kwam………

Toen bleek dat de Heilige Geest niet geheel van David gescheiden was. Hij wekte in hem het berouw op. Er werden genadesmekingen uit zijn mond gehoord. Een van die smekingen betrof dus de Heilige Geest. Nee, de Geest was duidelijk niet van David geweken. Dat weten en zeggen wij. En het is ook zo. Maar voor David zelf heeft dat zeker niet zo gevoeld. De Geest van God leek wel van hem gescheiden. En als dat nog niet zo was, dan zou het in elk geval recht zijn als het ten spoedigste gebeurde. Dat horen we dan ook David zeggen : Verwerp mij niet van Uw aangezicht. U zou het terecht kunnen doen. En neem Uw Heilige Geest niet van mij.  Het zou niet te verwonderen zijn als Deze definitief en finaal Zich van mij zou af keren. Het is Gods gelovigen zo vaak een wonder dat de Heilige Geest al niet tig keren van hen is geweken. Je hebt Hem immers zo getergd. Hij kan dan toch niet in je blijven wonen. In zo’n vuile en ontwijde tempel als jouw ziel en lichaam zijn, kan toch de Heilige Geest het niet uithouden. Daar willen de zwijnen nog niet wezen, laat staan de goede Geest van God.

En toch kun je de Heilige Geest niet missen. Daarom klinkt het gebed: Neem Uw Heilige Geest niet van mij. Doe het toch niet geheel en al en niet definitief. Laat Uw Geest weer Zijn kracht aan mij laten zien. Dat gebed is het zuiverste bewijs dat de Heilige Geest niet geheel geweken is, maar zich slechts voor een tijd heeft schuil gehouden. Gelukkig maar. Anders zou je zonde een zonde tot de dood zijn met de eeuwige rampzaligheid tot gevolg. Dat laat de HEERE niet geschieden. Hij bracht David door Zijn Woord en Geest weer tot bekering. David vroeg met een waarachtig hart om vergeving en hij kreeg die ook. De Heere heeft uw misdaad weg genomen, zei Nathan. Hij kreeg terug de vreugde des heils.

Beste lezers, hoe nodig is ons de Heilige Geest. Hij is nodig als je Hem nog niet kent en Hij in jou nog niet werkzaam is. Maar Hij is ook nodig als Hij reeds in je woont. Nodig om voor dagelijkse zonde bewaard te blijven, maar zeker ook voor grote en ergerlijke zonden. Hoeveel te meer  smeken  wij om Hem als wij in zeer zware zonden zijn gevallen en wij bemerken dat wij daarmee de Heilige Geest smaadheid hebben aangedaan. Dan wordt het: Laat Hem toch niet weggaan bij mij, Heere, want ik ben Zijn inwoning niet waardig gebleken. Wat een troost dat de Heilige Geest dan blijft en dus niet scheidt. Natuurlijk mogen we daar geen misbruik van maken. Zo van: als Hij toch altijd blijft, dan is een zonde ook niet meer zo rampzalig en dan kan dat zondigen wel een keer. Wie zo redeneert, bewijst daarmee geen kind van God te zijn. Nee, het is een wonder dat Hij niet geheel en al scheidt. En wonderen kun je niet bekijken. Daar zijn het wonderen voor. Het moet ons maar de bede ontlokken vanuit ons hart: Ai, laat van mij Uw Heil’gen Geest niet scheiden. Wat een troost dat Hij dan metterdaad niet scheidt maar eeuwig blijft.

Ds. J.L. Schreuders