“En die terugkeren van achter de HEERE; en die de HEERE niet zoeken en vragen naar Hem niet.”
Zefanja 1:6


Ook deze keer staan we in de kerkbladmeditatie stil bij een gedeelte waar we de laatste zondagen mee bezig zijn geweest. Het is het krachtige getuigenis van de profeet Zefanja. Wij noemen hem een kleine profeet. Maar let wel, dat is niet omdat zijn prediking maar zozo is geweest. Hij wordt slechts klein genoemd omdat het boekje van zijn profetieën maar enkele hoofdstukken bevat. Wat erin staat is echter van een hoge statuur. Een groot profeet!

Hij profeteerde aan het begin van de regering van Josia, toen deze de God van zijn vader David nog niet zocht. Dat waren de eerste acht jaren van zijn regering, toen hij nog onder de voogdij van anderen stond. De prediking van Zefanja is dan ook vlijmscherp. In heftige bewoordingen kondigt Zefanja het oordeel van God aan. God gaat mens (de goddelozen) en beest wegrapen. Hij richt Zich tegen de stam van Juda en in het bijzonder de hoofdstad Jeruzalem. Hij richt Zich tegen afgodspriesters en degenen, die op de daken zon, maan en sterren aanbidden. Ook degenen, die van het heilig eed zweren een soort half-om-half gehakt maken: zij zweren bij de HEERE en bij een buitenlandse god tegelijkertijd. En dan verder iedereen, die het laat afweten in de ware dienst van God. Daarover gaat het in de tekst, die boven deze meditatie staat.

Wilt gijlieden ook niet weggaan, zo vroeg de Heere Jezus ooit aan Zijn discipelen. Dat gebeurde op een moment dat velen Hem verlieten. Zij vonden het veel te kras dat Jezus had gezegd dat je geen leven in jezelf hebt als je Zijn vlees en bloed niet eet. Zij ergerden zich aan zulke woorden en hielden het voor gezien. Een tijd lang hadden ze Jezus gevolgd. Maar nu kwam de aap uit de mouw. Zij hadden Hem nooit hun hart gegeven en zij waren slechts met bijbedoelingen achter Hem aan gekomen. Dat houdt geen stand. Jezus zegt tegen Zijn discipelen: Wilt gijlieden ook niet weggaan? Dat was niet een uitnodiging of aansporing om ook maar te vertrekken. Juist niet. Het betekent: nee toch, jullie gaan toch ook niet heen?

In Zefanja’s dagen waren er blijkbaar ook mensen, die schijnbaar achter de HEERE aan gingen, maar op een gegeven moment smeerden zij ‘m een zijpad in en weg waren ze. Dan blijkt dat ze de Heere nooit echt hebben liefgehad. Anders kun je namelijk niet bij Hem vandaan. Ik vrees dat zulke mensen er ook in onze dagen zijn. Veel zelfs op het kerkelijk erf. Mensen, die altijd trouw in de kerk hebben gezeten. Opeens, je ziet ze niet meer. En ook hun levensstijl is ineens anders geworden. Je kent ze als het ware niet meer terug. Je kunt het tijdchristenen noemen. In elk geval lijkt het er sterk op dat er nooit een hartelijke betrekking op Christus is geweest. Zij liepen als de dwaze maagden slechts mee in de bruiloftsstoet. Je ziet het in onze tijd voor je ogen gebeuren. Ook op Urk en in de Moria. Natuurlijk worden er altijd zogenaamde redenen opgegeven waaraan het ligt. De gemeente, de kerkenraad, de dominee, je ouders of juist je kinderen. Maar de ware oorzaak wordt verzwegen. Die ligt daarin dat er geen hartelijke verbinding is met God en Zijn Woord. Zo glippen ze weg, een zijstraat in. Zij schenen te volgen, maar schijn is nog geen zijn. Wij moeten voor onszelf maar met geen schijn tevreden zijn. Het gaat om waarheid in ons binnenste. Dat is blijvend, dat alleen.

Zefanja moet het oordeel aankondigen over allen in Juda en Jeruzalem die van achter de HEERE afwijken. Hij zegt van ze, dat zij de HEERE niet zoeken en naar Hem niet vragen. Dat is een rake typering. De ware volgeling zal Hem zoeken en raadplegen. Hij heeft de HEERE nodig en daarom zoekt hij Hem in Zijn Woord en in het gebed. Hij raadpleegt de Schriften om van Hem onderwezen te worden en hij vraagt ook God om hem de weg te wijzen. Dat zijn de kenmerken van de echte discipel. Zefanja zag er velen bij wie dat ontbrak. Hij zegt ze het oordeel aan net zoals hij dat met de goddelozen doet en met de Baälpriesters.

Beste lezers, Petrus kon niet weg toen de Heere Jezus hem vroeg: jullie gaan toch ook niet heen? Hij mocht de woorden spreken: Waar zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven! Hij zocht Jezus met zijn hele hart en vroeg naar Hem. Doen wij dat ook, dan kun je bij Hem niet vandaan. Je kleeft dan de Heere aan. Wie dat niet doet, moet met zijn schijngodsdienst maar niet tevreden zijn. Wie kan met schijngodsdienst tevreden zijn als het in oprechtheid moet en kan? Ga de HEERE eens waarachtig zoeken en raadplegen en belijd eens al je schone schijn. En u die al een zijstraat bent ingeglipt, omdat Hij toch al niet zoveel voor je betekende, keer toch terug! En dat niet om uw schijn te vervolgen, maar om Hem in oprechtheid te dienen. Hem zoeken en naar Hem vragen. Dicht achter Hem aan. Dan strekt hij Zijn hand niet tegen u uit (vers 4) maar naar u uit. Hij keert zich om en zegt: Je wilt toch niet weg? En je antwoordt: nee HEERE, nooit, alstublieft niet!

Ds. J.L. Schreuders

“En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië  en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan en in de steden der Meden. Daarom dat zij de stem des HEEREN , huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN geboden had, dat hadden zij niet gehoord noch gedaan”
(
2 Koningen 18:11 en 12)

Nog een keer Hizkia. Elf preken en – met deze erbij- 2 meditaties in het kerkblad maken het beeld van deze knecht van de HEERE compleet. Hopelijk hebben veel hoorders en lezers hun winst gedaan met hetgeen in de Heilige Schrift van deze zoon van David staat vermeld.

In bovengenoemde verzen gaat het niet over wat met Juda is gebeurd, maar  over wat gebeurde met het tienstammenrijk van Israel, waar Hosea de laatste koning in Samaria was. Salmaneser, de koning van Assyrië kwam en nam deze stad in na een beleg van een paar jaren en voerde een behoorlijk deel van het volk weg naar hoge noordelijk gelegen streken bij de bovenloop van de Eufraat en de Tigris. Vanuit die streken deed hij dan weer mensen verhuizen naar Israel, zodat de volken vermengd  raakten. Op die manier had je het minste risico van opstand in je koninkrijk, zo vonden de Assyriërs. Een tactische zet dus.

Die wegvoering vond plaats gedurende het zesde jaar, dat Hizkia te Jeruzalem regeerde. Het was dus nog tamelijk aan het begin van zijn koningschap. Dit moet diepe indruk op hem gemaakt hebben dat het broedervolk van de tien stammen zo aan zijn eind kwam. Bij de hervorming van de godsdienst (helemaal aan het begin van zijn regering) was namelijk al gebleken dat hij die stammen niet vergeten was en zelfs een warm hart toedroeg. Hij rekende hen nog altijd bij het volk van God. De Heere had Hizkia door genade een ruim hart gegeven. Genade maakt altijd gunnend en schrijft niet onnodig snel af. Droge, wettische en harteloze  godsdienst maakt een mens kortzichtig, hard en bekrompen. Maar als je zelf de HEERE mag aankleven zoals Hizkia, gun je iedereen de waarachtige bekering tot God. Je zou wel wensen dat iedereen erbij mocht horen en zalig werd. Je zou een ieder er wel in willen betrekken Nee, ik weet het: niet iedereen wordt zalig, maar je zou het wel iedereen willen geven. Dat is een van de kenmerken waar aan je gewaar kunt worden of jezelf wel genade kent of niet.

Het moet Hizkia dan ook heel zeer gedaan hebben aan zijn ziel, dat het koninkrijk van het noorden voorgoed verleden tijd werd. Er woonden nadien nog wel resten van de verloren stammen in het voormalig koninkrijk van Samaria, dat bij Assyrië was ingelijfd en ook in Juda waren er wel vluchtelingen uit het noorden komen wonen. Maar  toch bevatte wat er met Samaria gebeurde een heel ernstige les. Hizkia heeft die les in acht genomen. Het heeft hem des te meer erin bevestigd dat hij de ware dienst van de Heere moest bevorderen. Daar was hij al meteen mee begonnen toen hij koning werd, maar dit was een extra aansporing. Hij zag waarin Samaria gestruikeld was en dat moest voor Jeruzalem koste wat het koste voorkomen worden.  Anderen – na hem – hebben die les in de wind geslagen. De profeet Jeremia zal het later zo zeggen : De trouweloze ( Juda) zag wat haar zuster, de afkerige ( Israël) overkomen was, maar zij bekeerde zich niet en volgde haar spoor. Een spoor dat dood liep. Zo is 135 jaar later Jeruzalem de ondergang van Samaria gevolgd. Toen was het Nebukadnezar die haar lot bezegelde.

Lieve lezers, er is een spreekwoord dat luidt: gestrande schepen zijn een baken op zee. Spreekwoorden zijn gewoonlijk waar, want anders zouden het geen spreekwoorden zijn geworden. Samaria werd zo’n gestrand schip. Het verging omdat zij de stem van de HEERE, hun God niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden. Zij hebben alles wat Mozes geboden had niet gehoord noch gedaan, zo staat er. Zowel op godsdienstig als op ethisch gebied gingen zij liever hun eigen weg. Dan komt het ervan dat je je eigen graf graaft. De goddelozen zullen niet welslagen, maar zijn als het kaf dat wegstuift voor de wind. De Heere heeft dat in het zesde jaar van Hizkia overduidelijk laten zien. Van heel dichtbij!

Wij trekken de lijn door naar onze tijd. Hoeveel kerken , die vroeger het Woord van God en het zuivere evangelie hoog in het vaandel hadden staan, zijn inmiddels afgezakt naar een niveau waarop je van de oude waarheid niet meer kunt spreken. Wij denken aan de voormalige gereformeerde kerken die voortkwamen uit  afscheiding en doleantie. Wij zien het ook gebeuren in sommige kleinere kerken, die uit de afscheiding zijn voort gekomen. Wat is er nog over van de gereformeerde leer en levenspraktijk? Wij zien het bij heel veel christelijke organisaties, zoals vakbonden, publieke omroepen ( NCRV/EO), ziekenhuizen , scholen, politieke partijen,kranten, enzovoort. Zij zakken weg in een verwaterd christendom, zij passen hun statuten aan, fuseren met andere instanties en zo verliezen zij de bijbels – christelijke kleur.

Je moet met je tijd mee, zo hoort men dan. Zachtjesaan zie je dat ook orthodox – christelijke instanties mee verschuiven. Haast ongemerkt. Stapje voor stapje. Natuurlijk moeten wij antwoorden hebben op de vragen van onze tijd. Maar in de christelijke leer en de christelijke ethiek mag en kan niet worden gesneden. Wij mogen niet ongehoorzaam worden aan het Woord van de Schrift. Wij mogen de oude paden niet verlaten, die God uitdrukkelijk in Zijn Woord en wet heeft bekend gemaakt. Dan ga je de weg van Samaria op, die later ook door Jeruzalem is gevolgd. Je zaagt de poten weg van de stoel waar je als kerk zelf op zit. Zo mag het niet gaan in de kerken, in christelijke organisaties en vooral ook niet in de gezinnen en in de persoonlijke levens van een ieder van ons. Je werkt aan je eigen ondergang als je het Woord terzijde schuift en de Heere maar laat praten. De val van Samaria is een teken aan de wand, een baken op zee.

Dat wij als Hizkia de waarschuwingen maar zeer ter harte zullen nemen. Die waarschuwingen zijn er in onze tijd  zeker niet minder dan toen. Met name als we naar de kerkgenootschappen kijken. Hoeveel zijn er reeds niet geheel of nagenoeg verdwenen? Hoeveel zijn er niet, die nog nauwelijks als kerk te herkennen zijn? Allemaal nabij de verdwijning. Daar mogen wij nooit hoogmoedig op neer zien. Wij mogen nooit denken: maar dat zal mijn kerk, mijn partij, mijn gezin, mijzelf nooit overkomen. Zelfingenomenheid is misschien wel het allergrootste gevaar om af te gaan glijden. Dan ben je  namelijk niet wakker. De Heere make ons standvastig, robuust en van harte gehoorzaam. Hij schenke ons met alle bereidwilligheid niet alleen zelf naar Zijn Woord te leven maar ook anderen vrijmoedig daartoe op te roepen. Hizkia heeft dat door Gods genade mogen doen, ook al was hij zelf ook niet zonder gebreken, zoals wij hebben gezien.  Let op wat er allemaal om je heen gebeurt, wees geen struisvogel, vraag om in ootmoed en standvastigheid  en met een waar geloof naar het Woord van God te mogen denken en handelen. De zee ligt al vol genoeg met scheepswrakken. Er kunnen er niet meer bij.

Ds. J.L. Schreuders

“… en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.”
2 Koningen 18:4b

U hoorde al een aantal keren een preek over de vrome koning Hizkia. Zoals de hele Schrift is ook dit vanzelf rijke stof. U zult dat ook wel hebben gemerkt. Wij hebben het alleen nog niet over de koperen slang gehad. Die bijzonderheid wordt niet vermeld in 2 Kronieken, terwijl wij juist daar de uitvoerigste beschrijving tegenkomen van de reformatie van de godsdienst, die Hizkia aan het begin van zijn regering tot stand heeft gebracht (zoals u nu wel weet: na de slechte tijd onder zijn goddeloze vader Achaz).

Hij reinigde niet alleen de priesters en de Levieten, niet alleen de tempel en de hele stad Jeruzalem, hij brak ook in het gehele land de hoogten af waarop ten onrechte zowel aan de Heere als aan andere goden gerookt werd. Alleen in de tempel te Jeruzalem mag de offerdienst plaatsvinden en dan natuurlijk ook alleen aan de HEERE. Nergens anders, zo staat het in de wet van Mozes bepaald. Weg de hoogten! Weg de afgoden!

Weg ook de koperen slang!  Iedereen weet welke belangrijke functie zij in de woestijntijd heeft gehad. Het oordeel van God hield op over iedereen, die in geloof op de koperen slang zag. Dat zag op Christus, Die aan een door de zonde gewonde ziel redding verleent. Jezus Zelf heeft ons dat uitgelegd in Zijn gesprek met Nicodemus.

Nu lezen wij nergens dat de Heere gezegd heeft dat die koperen slang altijd bewaard moest blijven. Dat hebben de Israëlieten kennelijk wel gedaan. Op zich is dat geen zonde. Je zou kunnen denken dat zij een treffend aandenken was aan wat er in de woestijn gebeurd was. Ook zou zij later een troost kunnen bevatten voor zielen die ook zelf gewond zijn door de zonde. Zij zou de genade van God ook aan die mensen kunnen tonen.

Maar strikt nodig daarvoor was zij niet. God wil gewoonlijk Zijn volk niet door de stomme beelden onderwezen hebben, maar door de levendige verkondiging van Zijn Woord. Zij hadden sinds Mozes deze geschiedenis al in hun Bijbel staan. Dat was herinnering genoeg. Godvruchtige priesters en Levieten konden in de tempel en daarbuiten uitleggen wat die slang betekende en waar zij heen wees. Daar hebben ook zij dus de stomme beelden niet voor nodig gehad. Ook niet een bewaarde koperen slang.

Wij zien dan ook hoe gemakkelijk een bijgelovig  volk er de mist mee kan ingaan. Zij zijn de koperen slang die blijkbaar dichtbij of in het heiligdom bewaard werd, gaan vereren alsof zij zelf een god was. Zij rookten aan haar. Dat betekent dat zij wierookoffers brachten. Wierookoffers staan gelijk aan de gebeden. Zij verwachtten dus van die slang (een dood ding) verhoring op hun smekingen. Dat is pure afgoderij.  Zoals de efod, die Gideon maakte voor de kinderen Israëls tot een valstrikt werd. Dan mag er nog zo’n rijke boodschap in die kopen slang verborgen liggen en dan mag zij nog zo’n rijke heenwijzing bevatten naar Christus, zij is uit den boze als zij tot een god wordt verheven. Dat heeft Hizkia heel goed begrepen. Bij de beeldenstorm, die zijn reformatie ontketende, behoorde ook het wegdoen van de slang die ooit door Mozes gemaakt was. Niet uit gebrek van respect voor Mozes, evenmin uit het oogpunt van ontkenning van wat de Heere door middel van die slang gedaan had, maar omdat God niet in een afbeelding wilde worden vereerd en omdat Hij geen andere god naast zich kan dulden.

Heel terecht heeft de koning de koperen slang dan ook ontgoddelijkt. Hij noemde haar Nehustan, dat betekent: koperen ding. Het was ook niet meer dan dat: een stuk koper. Zeker als je het ook nog verkeerd gebruikt. Koper en alleen maar koper. Daarmee houdt het op. Het moet ons niet tegen de borst stuiten dat Hizkia dit gedaan heeft. Hij is daarmee opgekomen tegen de afgoderij en dat valt in hem te prijzen. Hij kleefde de HEERE immers aan! Dus werd het: weg koperen slang!

Het zuivere reukwerk der gebeden mag alleen maar opgezonden worden naar de Heere en Zijn Christus. In Jeruzalem heeft men zich beijverd om dat aan de koperen slang te doen. Kennelijk ook geruime tijd want er staat: tot die dagen dat Hizkia er een einde aan maakte. Dat wijst op een langere tijd dat men dit was blijven doen. Er staat ook dat de kinderen Israëls dat deden, dus ook in grote meerderheid van het volk.

Dat er bij ons niet geringere ijver zou zijn om de echte koperen slang  te aanbidden. Hij, Die Zich tot zonde liet maken en daarom Zich met een slang liet vergelijken! Hij kan aangeroepen worden als de ziel van zonde bloedt, als de slangenbeet gevoeld wordt in onze hielen, als het oordeel des doods nabij is en er geen redder is. Hem te wieroken met de wierook van een ernstig smeekgebed, dat is goed. Daar hebben we Hem voor nodig, maar geen koperen ding dat slechts koper is.

Ds. J.L. Schreuders

“En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den Geest, Macedonië en Achaje doorgereisd hebbende, naar Jeruzalem te reizen zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.”
(Handelingen 19:21)

Reisplannen. Die worden zeker in de zomerperiode massaal en naar hartenlust uitgedacht en uitgevoerd. Daar is natuurlijk niets op tegen. De dichter Revius zei al: Reis vrij in plaatsen waar men schone dingen ziet, maar wacht u en vervreemdt van uwen Schepper niet. Als het maar niet onze bedoeling is om God te ontlopen, dan mogen we heengaan naar bestemmingen, die we graag eens zouden zien. Dat laten velen van ons zich dan ook geen twee keer zeggen. Er wordt wat afgereisd in onze tijd. Vooral verre reizen zijn populair.

Paulus is bezig met zijn derde zendingsreis en vertoeft drie jaren in Efeze. Het Evangelie mocht daar  grote kracht doen. Het Woord des Heeren wies met macht. Wie zou daar niet jaloers op worden?  Het Evangelie nam de overhand. De Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt. Veel tovenaars kwamen en verbrandden hun boeken. Alle reden dus voor Paulus om daar te blijven, zo zouden wij zeggen.

Maar vreemd  genoeg komen juist dan de reisplannen op in Paulus’ gemoed. Het zijn plannen, die echter niet meteen worden uitgevoerd. Hij zendt wel Timotheüs en Erastus al naar Macedonië maar blijft zelf nog een tijdlang in Efeze en omstreken achter. Pas als de grote storm van Demetrius, de zilversmid, heeft gewoed, gaat Paulus heen, zijn vrienden achterna. Hij gaat ook naar Macedonië, vervolgens naar Griekenland (Korinthe) en keert vervolgens via Macedonië terug om naar Jeruzalem te reizen.

Plannen. Maar maakt Gods kind die op eigen houtje? Nee, zelfs een apostel heeft over zijn reisschema geen zeggenschap. Hij neemt voor in de Geest. Dat wil zeggen dat Paulus in alles de Geest des Heeren erin betrok. Zijn reisplannen waren dus zaak van gebed. Niets op eigen houtje. Wij lezen elders in de handelingen dat de Geest Paulus ervan weerhield ergens heen te gaan en ook dat Hij hem naar elders leidde. En dan kan het ook nog maar zo gebeuren, dat de Geest wel plannen ingeeft, maar de uitvoering  verdaagt. Niet nu al, Paulus. Nog een tijdlang moet je in Efeze blijven. Je moet er nog de verdrukking van Demetrius doorstaan. De Heilige Geest wijst tijd en plaats. Zo moet het ook bij ons zijn. Heere, ai, maak mij Uwe wegen … Je moet ook leren wachten op Gods tijd. Geduldig, zonder vragen. Zal Paulus dat altijd hebben gedaan? Ach, hij was ook maar een zondig mens. Hij moest het leren zoals u en ik.

Zo heeft Paulus ook het plan opgevat (in de Geest) om uiteindelijk naar Rome te reizen. Na Jeruzalem moest hij ook Rome zien. Reeds lange tijd leefde dat verlangen in hem. Wij weten dat uit de brief aan de Romeinen. Hij bad de Heere om gelegenheid  om door de wil van God (zo God het wil!) tot hen te reizen. Alles wat in hem was, was volvaardig (geheel bereidwillig)om ook hen die te Rome woonden het Evangelie te verkondigen. Lees maar na in Romeinen 1 en 15.

Paulus is ook in Rome gekomen. Maar – en daar heb je het weer-  wel heel anders dan hij eerst dacht. Hij kwam er via een schipbreuk op de Middellandse Zee. Hij kwam er als een gevangene, een lijder, om terecht te staan voor de keizer. Een mens weet zijn weg niet. Het is God die de wegen van zijn kinderen en knechten bestuurt. Wij kunnen wel eens wat bedenken. Maar ook als wij dat in het gebed en in de Geest doen, moeten wij niet denken dat het gaat zoals wij ons ingedacht hebben. De Heere is vrij om het anders te doen. Op weg naar en tijdens zijn gevangenschap in Jeruzalem en Caesarea is Paulus gaandeweg duidelijk geworden wat de Heere  met de reis naar Rome voor had. Hij moest ook voor de keizer gaan getuigen. Hij moest er het leven gaan laten. Dat was bij zijn bekering al gezegd: hij was een uitverkoren vat om Christus’ Naam ook voor de koningen te dragen. Het gaat van Jeruzalem naar Rome. Daar bij de keizer wordt de loop volbracht. In het hol van de leeuw.

Wij moeten altijd leren onze voornemens niet op eigen initiatief maar in de Geest te maken. En dan vervolgens niet zelf bepalen wanneer en hoe en op welke tijd ze ten uitvoer worden gelegd. Ik moet ook Rome zien. Ja, dat was een goddelijk moeten. Zo had de Heere het bepaald. Dat had Paulus goed door. Maar laat de rest maar aan de Heere over. Hij is er op Gods  manier en niet op die van Paulus gekomen.  Dat nu is helemaal niet erg, integendeel. Hebben wij geleerd de Heere te kennen in al onze wegen?  Of zitten we zelf nog stevig in het zadel?  Kennen wij  de genade van de zelfverloochening om tijd en wijze aan God over te laten.

Dan moet ik ook Rome zien. Vrees niet Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen.

Ds. J.L. Schreuders

“Ontwaak, noordenwind, en kom , gij zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame en ate zijn edele vruchten.”
Hooglied 4: 16


Hoe komt de bruid in het Hooglied ertoe zichzelf met een hof  (een tuin) te vergelijken? Nee, dat beeld heeft zij niet zelf bedacht. In de verzen hiervoor (van 1-15) is namelijk haar bruidegom aan het woord. Hij prijst haar schoonheid, hij betuigt haar Zijn liefde. Hij noemt haar in vers 12 een besloten hof. Met andere woorden: een tuin waarin niemand anders toegang heeft. Zo hoort dat ook in een recht huwelijk. Man en vrouw hebben beiden een afgedichte en ommuurde tuin te zijn, waarin niemand vreemds kan binnen dringen. Je moet geen “deur’’ ( in sommige streken van het land is dat een scheldwoord voor een vrouw van losse zeden!) wezen , maar een muur (zie Hooglied 8:9).Nu, Salomo’s bruid (de Sulammith) is zo’n besloten hof.

Achter Salomo en zijn bruid zien wij met de kerk van de eeuwen de gestalte oprijzen van de hemelse Bruidegom met Zijn bruid, die Hij zich heeft verworven door Zijn bloed. Dit beeld is bijbelbreed  te vinden tot in de Openbaring aan Johannes toe. De bruid, die zichzelf veel te gering achtte om bruid te zijn, wordt door Hem schoonheid toegekend. Hij ziet in haar geen gebrek. Hoe is het mogelijk! Hij prijst de schoonheid, die Hijzelf aan haar heeft gegeven. Met tal van lieve woorden geeft Hij dit in dit hoofdstuk te kennen. Het beeld van de gesloten hof is er een van.

Dat wekt bij de bruid het verlangen naar Hem op. Als ik dan zo’n besloten, schone hof ben in Zijn  ogen dan wenst zij dat Hij tot Zijn hof zal komen. Dan kan hij daar de edele vruchten van de liefde eten, de granaatappelen, dan kan Hij daar de welriekende specerijen ruiken, waar Hij van gewaagt. Dan kan Hij de honing en de melk proeven, waarvan Hij gesproken heeft. Ben ik dan een hof, dat Hij zou afdalen en zou plukken en eten. De verklaringen van Zijn liefde wekken dus wederliefde op. Zij verlangt nu hartstochtelijk naar Zijn aanwezigheid. Zo is het nog: hoe komt het verlangen naar Christus bij ons boven? Juist, als wij uit Zijn mond veel horen over Zijn wonderlijke liefde voor ons. Daar wordt je ziel begerig door gemaakt. Zij verliest haar schaamte en haar apathie. Zo is het de bruid vergaan, zo vergaat het ieder levend lid van de bruidskerk. Zijn liefde wekt liefde op.

Maar hoe zal Hij naar Zijn hof gelokt worden? De bruid weet het: daarvoor moeten de winden gaan waaien. Dan zal Hij precies weten waar zij zich bevindt. Dan hoeft Hij naar haar niet meer te zoeken. Nee, Zijn begeerte hoeft niet meer opgewekt te worden, Hij moet alleen nog weten waar zij is. Daarom roept zij de wind te hulp. Als die van meerdere kanten haar hof zal doorwaaien, dan neemt hij de geuren van allerlei specerijen mee. Die zullen uitvloeien, zich overal verspreiden. En waar de Bruidegom dan ook is, overal zal Hij ze kunnen ruiken om erdoor aangelokt te worden. Laat de winden dan maar komen, de noordenwind, de zuidenwind.

De borealis (ja, ik heb ook over de overwinningsspeech van Thierry Baudet  gelezen na de Statenverkiezingen) is een gure en koude en vaak vochtige wind. De zuidenwind  is warm en droog. Zo is het ook vaak bij ons. De Oostenwind wordt wellicht expres niet genoemd want die is in het Nabije Oosten vaak ondraaglijk en verzengend. Uit welke hoek echter de wind ook waait, guur of behaaglijk warm, als de  geur van de specerijen maar naar de Bruidegom toe worden geblazen, dan is het goed. Zij zullen Hem de weg naar de hof wijzen, Hem aanlokken om haar kant op te gaan.

U weet ongetwijfeld dat de wind in de Bijbel een beeld is van de Heilige Geest. U hoeft alleen  maar aan het Pinksterfeest te denken. In de prediking van Petrus waaide Gods Geest met striemende vlagen van beschuldiging over het toegestroomde volk, maar ook met de warme trillingen van de belofte. De uitwerking was ernaar. De specerijen vloeiden uit, naar alle kanten. O, dat ook bij ons koude winden van bestraffing en warme winden van welbehagen de geuren van de specerijen de hof uit zouden blazen. De wind des Geestes blaze maar stevig door. Opdat de hemelse Bruidegom in Zijn (!) hof zou komen. U ziet de vervulling van de wens van de bruid in het volgende vers. Je moet dus gewoon doorlezen in het volgende hoofdstuk. De borealis en (ik zal Baudet een handje helpen)  de austeralis (zuidenwind)  hebben hun werk gedaan. De Bruidegom is aangelokt en is in Zijn hof aangeland. Hij eet daar Zijn(!) edele vruchten , Hij drinkt daar (Zijn!) melk en wijn, Hij ruikt daar Zijn (!) specerijen, de nardus en de saffraan, de kalmus en kaneel, de wierook , mirre en aloë. Ja, het is alles voor en van Hem! Hij is daar samen met zijn bruid. Dronken van liefde. Och, dat Hij kwame. Ik ben gekomen! Wat een heilsgenot. Wat een Pinksteren zal het dan wezen.

Ds. J.L. Schreuders

“Welke is aan de rechterhand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen en machten en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.”
(
1 Petrus 3:2)

Evenals Paulus rijgt ook Petrus de heilsfeiten aaneen. De heilsfeiten vormen met elkaar het ene verlossingswerk van Christus. Eerst spreekt hij (in vers 13) over Zijn verzoenend lijden en sterven. Dat is de basis van alle heil en zaligheid en daarvoor is Hij in de wereld gekomen: Hij heeft  voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen. Daarna noemt Petrus  de opstanding: daarin ligt de goedkeuring van God op het verzoenend sterven van de Zoon. Vandaar dat daarin  antwoord ligt op de hartenvraag om een goed geweten tot God te mogen ontvangen. Tenslotte komt Petrus bij de hemelvaart. Hij is naar de hemel  opgevaren, gereisd, zo staat er letterlijk. Zodoende is Hij nu aan de rechterhand van God.

Dat betekent dat alle machten in hemel en op aarde aan Hem ondergeschikt zijn. De engelen en machten en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde, zo staat er. Daar zijn allereerst de goede engelen  onder begrepen. In de brief aan de Hebreeën staat: zoveel treffelijker is Hij geworden dan de engelen als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft. Bij Zijn terugkeer in de hemel hebben dan ook alle engelen Gods Hem aanbeden. Was Hij dan niet altijd al boven de engelen? Jawel , maar wij mogen niet vergeten dat Hij bij de menswording en in Zijn lijden een weinig minder dan de engelen geworden is. Precies zoals wij dat door de zonde geworden zijn. Hij werd ons ook daarin gelijk. In Zijn verheerlijking is Hij echter weer boven de engelen geplaatst. Hij is der engelen Heere. Dat vindt geen engel erg. Hoor ze maar juichen bij de troon waar Hij zit. Zij brengen Hem de lof en de eer. Zij laten zich ook maar al te graag heenzenden om de Zijnen te dienen. In Christus staan die namelijk ook weer boven de engelen. Het is een troost voor heel Gods kerk en voor ieder levend lidmaat daarvan dat de engelen Christus tot hun Hoofd hebben en Hem onderdanig zijn. Dat kan niet anders dan goed  zijn voor al Zijn gelovigen!

Maar er zijn er meer aan Hem onderworpen dan de goede engelen alleen. Paulus spreekt ergens over de overheden en heerschappijen. Daarmee zijn dus de aardse machten bedoeld. Ook in onze tekst valt daar aan te denken als Petrus het over machten en krachten heeft. Vaak staan die aardse machten onder invloed van de boze Satan. Dat was ook toen al zo. Denk maar aan het Romeinse rijk, dat zo vijandig tegen de onderdanen van Christus optrad. Nu is dat vaak niet anders. Onze overheid zegt neutraal te zijn maar kan dat eigenlijk wel? Je bent altijd voor of tegen. Het lijkt erop dat gaandeweg de aap uit de mouw komt. Zo lang het nog duurt mag de kerk er mee tevreden zijn dat zij hooguit nog getolereerd wordt. In veel landen is zelfs dat niet het geval. Er zijn tal van christenen, die onder de aardse machten moeten lijden. In de Openbaring aan Johannes staat dat het beest van de staatsmacht zijn macht heeft ontvangen  van de draak. Je weet dus uit welk vaatje de kwade overheden tappen.

Maar: Zij zijn aan Christus onderdanig gemaakt. Dat is de troostrijke wetenschap voor de gehele kerk en voor alle strijdende leden ervan. De Heere regeert, Hij is met hoogheid bekleed;  de Heere is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord (Ps. 93:1). Die Heere is Christus. Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. De machten en de krachten kunnen niet verder gaan dan Zijn hand hun toestaat. Niet verder dan dat geschreven staat in het verzegeld boek, dat door Hem geopend wordt.

Daarom hoeft een hulpeloos volk van God nooit te wanhopen!  Het wormpje Jakobs, het Volkje Israels hoeft niet te vrezen. Zij doen het vaak wel, maar het hoeft niet. Alles is Hem onderdanig gemaakt. Ben je Zijn vijand, weet dan dat je Hem tegen hebt en maak je borst maar nat. Ben je de Zijne, dan ben je in goede en veilige handen. Geen overheden en machten kunnen je scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus, onze Heere. Al maken zij zich sterk tegen je, de Heere lacht om hun gewoel. Hij is immers de Heere der heren en de Koning der koningen, de Ruiter op het witte paard. Al Christus’ onderdanen mogen trots zijn op die Koning! Is Hij ook al uw trots?

Ds. J.L. Schreuders

“Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders, zijn dezen, die Gods Woord horen en datzelve doen.”
(Lukas 12:21)

Deze gebeurtenis heeft plaatsgevonden in ongeveer dezelfde tijd dat Jezus de gelijkenis van het zaad heeft uitgesproken. Wij stonden  bij die gelijkenis  viermaal  stil. Viermaal hetzelfde Schriftgedeelte lezen in de kerk. Moest dat nou zo nodig? Ja, want het ging steeds over een andere tekst. Het was niet vier keer hetzelfde. Het zaad viel op vier verschillende plaatsen. En alle kans dat u/jij erbij was, bij een van de vier. Daar durf ik wel voor met de hamer op mijn duim te slaan.

Het ging in die gelijkenis over horen en dan…? Op alle vier de plaatsen van de akker werd het  Woord van God gehoord. Maar er zijn wijze en dwaze bouwers, zo zegt Jezus aan het einde van de Bergrede. Ook bij hen zat het verschil niet in het horen. Maar de wijze bouwers doen wel hetgeen zij horen, de dwaze doen het niet. Ook nu weer: alle kans dat u/jij een van die beide bent. Mijn duim doet al zeer.

Jezus is in Galilea. Ook nu zijn er veel mensen op de been. Evenals in de geschiedenis van de vier vrienden, die een verlamde op een bed bij Jezus wilden brengen, kunnen mensen niet bij Jezus komen omdat zij niet door de mensenmassa heen komen. Het zijn niemand minder dan Jezus’ moeder en Zijn broeders. Jezus had vier broers: Jakobus, Joses, Judas en Simon en ook waren er zusters van wie wij de namen overigens niet kennen. Het zijn natuurlijk kinderen die na Jezus geboren zijn uit het huwelijk van Jozef met Maria. Het “Maria-altijd-maagd” is een Rooms sprookje. De Schrift zegt duidelijk: Jozef bekende Maria niet totdat zij haar eerstgeboren zoon gebaard had. Daarin ligt opgesloten: en daarna natuurlijk wel. In feite waren het halfbroers, naar de wet  (rechtens)echter volle broers, zoals Jozef rechtens Zijn vader was. Jezus heet dan ook nergens de Eniggeborene van Maria, maar altijd de eerstgeboren Zoon van Maria en de Eniggeborene des Vaders .

Zij zoeken nu Jezus. Waarvoor dat was, lezen wij niet. Maria bewaarde het geheim van haar Kind in haar hart, al zal dat ook best wel eens aangevochten zijn geweest. Zijn broeders geloofden domweg niet in Hem. Wij lezen dan ook op een andere plaats in het evangelie dat zij naar Hem toe kwamen omdat zij dachten dat Hij uitzinnig was en tegen Zichzelf in bescherming moest worden genomen. Of dat ook ditmaal zo was, valt te betwijfelen. Hoe dan ook, zij moesten  op afstand blijven staan, omdat er geen doorkomen aan was. Maar blijkbaar zijn ze door mensen uit de scharen wel herkend of hebben zij zelf mensen aangesproken. Men boodschapt Hem: Zij staan daar buiten  en begeren U te zien. Wat zal Jezus antwoorden?

Teleurstellend. Ga je zo met je moeder en je broeders om? Eert Jezus haar niet en slaat Hij familiebanden in de wind? Zondigt Hij hier niet tegen het gebod van God? Nee, gemeente, Jezus maakt hier duidelijk dat het in het koninkrijk Gods vooral om geestelijke banden gaat. Niet de natuurlijke afkomst maakt je tot ware familie van Jezus. Zelfs niet wanneer je Zijn moeder bent. Rome heeft haar dan ook volkomen onterecht op een voetstuk geplaatst. Ik wijs u in dat verband op iets dat we verderop in Lukas lezen. Daar roept een vrouw uit de schare tot Jezus: Zalig de buik, die U heeft gedragen en de borsten, die Gij hebt gezogen. Jezus antwoordt dan: Ja, zalig zijn zij die het Woord Gods horen en het bewaren. Dat is belangrijker  dan Jezus te hebben gezoogd. Dat maakt pas echt gelukzalig. Het had ook Maria tot een geestelijke moeder van Jezus gemaakt.

Daarover gaat het nu ook hier. Wie zijn Jezus’ moeder en Zijn broeders?  Dat zijn degenen, die rondom Hem staan om het Woord van God te horen. Te horen om te doen, want horen alleen is niet genoeg. Dat hebben wij als het goed is uit de preken over de Zaaier wel begrepen. Geloof, bekering en gehoorzaamheid aan de wil van Zijn Vader, dat zijn de kenmerken van Jezus’ geestelijke familie. Daaruit blijkt of je een kind, een zoon of dochter van God bent. Uit Hem geboren. En ben je uit Hem geboren dan moet je wel een broeder zijn van Zijn enige echte natuurlijke Zoon, die ook uit Hem geboren is, al voor de tijden der eeuwen. Je hebt je kindschap  aan die Zoon te danken want dankzij Hem worden zondaren kinderen van God. Door een oprecht geloof: familie van Jezus.

Jezus wijst dus op het belangrijkste. Hij ziet de mensen om Hem heen, die naar Zijn Woord horen. Die zijn Mijn familie, zo zegt Hij. In Jezus’ antwoord ligt vanzelf ook een dringend appèl op de scharen. Laat het niet alleen bij horen van het Woord. Het komt aan op de vrucht van het horen. Het gaat om Woord en daad. Zijt niet alleen hoorders des Woord, maar ook daders van het werk, zo zegt Jakobus, de broeder des Heeren in zijn zendbrief. Hij heeft het uiteindelijk toch ook begrepen hoe je echt familie van Jezus wordt. Horen en doen. Zo kunnen ook wij familie van Hem worden. Is het geen groot wonder? Kunt u het zich voorstellen. Zo’n grote zondaar en toch in hoger rang dan Zijn moeder en Zijn broeders.

Ds. J.L. Schreuders

“Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.”
(Hebreeën 2: 16)

Engelen of mensen. Om de vraag te beantwoorden wie de voornaamste van die twee  zijn, wijzen wij terug naar den beginne, de schepping . De mens was bij de schepping  beelddrager van God. Dat wordt van de engelen nergens gezegd. En straks in de voleinding der eeuwen zal de mens ook weer boven de engelen staan. Hebreeën 2 zegt het helder en duidelijk: Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld van welke wij spreken. Nee, de mens wordt eenmaal gesteld over de werken van Gods handen. Psalm 8 zegt het zo duidelijk:  Waar schapen zijn of ossen in de weiden; Gij hebt het al in zijne macht gesteld. Aan het begin en aan het einde dus is en wordt  de mens boven de engelen gesteld, ook boven de goede engelen, die hun beginsel hebben bewaard, zelfs boven Michael en Gabriel. Ongelofelijk, maar  geheel overeenkomstig  de Schrift en dus volkomen waar.

Maar op dit moment is dat niet zo. Door de zonde is de mens in rang en stand gekelderd. Hij is door God een weinig minder dan de engelen gesteld en terecht. Een weinig betekent dan niet: een beetje, want zo’n beetje is het niet. Het betekent een korte tijd. Het gaat om de bedeling van de zonde, die met de zondeval begonnen is, die nu gaande is en straks met de wederoprichting van alle dingen zal eindigen. Dat zijn in Gods ogen maar enkele dagen zelfs maar uren. Naar ons begrip is het geen korte tijd, maar voor God is het dat wel. Een weinig tijds dus. Zo zegt dan ook  terecht onze berijming van Psalm 8: Gij deedt hem wel een weinig tijds beneden het engelenheir een rang en plaats bekleden. Gedurende die korte tijd van het heden staat de mens geducht onder het engelenniveau. Vandaar dat de apostel ook schrijft dat wij nu niet zien dat de mens alle dingen onderworpen zijn. Daar is nu echt helemaal niets van te merken. Mensen zijn door de zonde stervelingen geworden, vlees en bloed, dat het koninkrijk van God niet kan beërven. In elk geval ver onder het niveau van de engelen. Een ernstige werkelijkheid.

Maar: hoe kan die mens weer terug komen, zodat hij weer boven de engelen terecht komt en boven hen  zijn rang en plaats bekleedt? Kan dat eigenlijk nog wel? Dat zou een wel heel groot wonder  wezen. Hoe klimt hij tot die waarde?  Juist aan dat wonder heeft Christus de hand gelegd.

Christus is namelijk Zelf een weinig tijds minder dan de engelen geworden. Hij heeft ons vlees en bloed aangenomen om het lijden des doods te kunnen ondergaan. Zo is hij voor vele(!) Adamskinderen Leidsman tot zaligheid geworden. Leidsman door Lijdsman te worden. Hij schaamde Zich niet verloren mensen Zijn broeders te noemen. Hij werd hun in alles gelijk behalve in het zondigen. Hij, Die heiligt (Christus) en zij, die geheiligd worden (de verloste mensen) zijn immers allen uit een voorvader afkomstig. Dat is Adam. Ook Christus werd een mensenzoon, een Adamskind. Zo paste het. Zo moest het geschieden met een goddelijk moeten. In al onze benauwdheden werd Hij benauwd. Zo heeft Hij door te sterven de duivel de kop vertrapt. Al kostte het Hem de verzenen. Het ging in de weg van lijden en strijden. Het kon niet anders.

Zo leidt Hij vele verloren mensen naar de zaligheid.  Welke mensen zijn dat? Dat zijn zij, die evenals Abraham geloven in die God, Die de goddelozen rechtvaardigt. Zo stond ook Abraham dus voor de Heere.  Als een goddeloze in zichzelf. Maar ziende op de belofte dat in Zijn Zaad, dat is Christus, alle volken der aarde gezegend zouden worden, heeft Abraham ook zelf de zaligheid gevonden. Door middel van het geloof is het Hem  genadig als gerechtigheid toegerekend.  Wees eens eerlijk:  bent u meer dan een goddeloze? Zeg, wat een verbeelding!  Zelfs Abraham, aan wie wij geen van allen kunnen tippen, rekende zichzelf een goddeloze te zijn en zouden wij dan ons hoofd boven dit maaiveld durven uit te steken? Een goddeloze, ja dat ben ik, een vijand, een zondaar. Zij, die dat erkennen en voor wie Christus de Leidsman ter zaligheid wordt, worden weer boven de engelen geplaatst. Want niet aan de engelen maar aan de mens,  ja, de door Christus verloste mens, wordt de toekomende wereld onderworpen. Hij neemt het zaad van Abraham aan. Zaad van Abraham, ja dat zijn alle goddeloze zondaren, die net als Abraham geloven in die God, Die de goddeloze rechtvaardigt. Zij worden nu al Gods kinderen genaamd.  Zij zullen straks tezamen met de Mensenzoon, Die nu al met heerlijkheid en eer bekroond is, heersen over de werken van Gods handen. Het wordt  dus weer zoals het in het paradijs geweest is. De mens de engel weer te boven!

Het is dus nog niet zo gek om een  verloren mens te zijn, al strekt dat ons op zich natuurlijk niet tot eer. Toch mag je God danken dat je mens bent en geen engel. Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan mensen, ja  verloren mensen. De engelen, die boven zijn, hebben nooit Gods liefde geproefd voor het verlorene.  Zij weten niet wat dat is. Zij verblijden zich wel in de hemel over iedere zondaar, die zich bekeert, maar het is slechts blijdschap over een ander. Wat Gods liefde voor een zondaar inhoudt en hoe dat gevoelt, dat  proeven en smaken zij niet. Zij zijn zelfs  begerig daar in te mogen zien, zo zegt de Bijbel op een andere plaats. Maar de verloren mens mag het beleven.

Ik dank dus de Heere dat ik een mens, een verloren mens, ben en geen engel. Want in Christus neemt Hij mij aan. Hij raapt me op van langs de weg en neemt me mee. Hij adopteert me tot kind en erfgenaam van alles. Ik dank God dat ik een verloren  mens mag zijn met Christus als Lijdsman en Leidsman. U ook? Er is alle reden dus om op deze grote zaligheid acht  te slaan. Wie dat niet doet, die komt er niet. Die zal altijd  ver onder de rang van de goede engelen moeten blijven. Hij zal straks zelfs met de kwade engelen geworpen moeten worden in de poel des vuurs. Dan is er geen ontvluchten meer  aan. Zover zal het met je komen, maar  dat behoeft niet. Hij neemt immers nu nog  steeds  geen engelen maar mensen aan!

Ds. J.L. Schreuders

“Maar ik zal uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen”
(
Micha 7:7)

Het is advent. Enkele keren hoorden we de boodschap van de Heere vanuit Micha. Indrukwekkende hoofdstukken zijn dat: Micha 4 en 5. Het is niet gemakkelijk te begrijpen misschien. Maar als je verstaat wat er gezegd en geschreven is dan laat het diepe indrukken bij ons na. Wij hebben het profetische woord dat zeer vast is!

Nu, ook de hoofdstukken 6 en 7 mogen er wezen. God heeft een twist met Zijn volk. Zou Hij dat zo langzamerhand ook niet met ons hebben, denkt u? Het zou mij niets verbazen. Het klinkt dan ook dreigend: Hoort de roede en wie ze besteld heeft! Wie zou dan ook nu niet vrezen?

Waarom die roede? Omdat in Juda de inzettingen van het huis van Omri werden onderhouden. Omri was de vader van Achab. Via Athalia waren de kwade zeden en gewoonten, die eerst vooral in het Noordrijk werden aangetroffen, ook in Juda binnen gedrongen. Athalia was inmiddels allang dood. Het huis van Omri was uitgeroeid. Maar daarmee was het geïmporteerde kwaad niet mee in het graf verdwenen. Het ganse werk van Achab, de koning van Samaria, was nog steeds ook in Jeruzalem springlevend.

Dat kwam niet alleen in godsdienstzaken tot uiting, zoals in afgoderij en een vals vertrouwen op de vele offers die ze brachten. Nee, Micha legt vooral de nadruk op de tweede tafel van de wet. Men verkocht elkaar knollen voor citroenen. Valse weegschalen en veel te kleine gewichten waren schering en inslag. Zo bedotte de een de ander. Dat leidde tot een grote ontwrichting van de samenleving. Er was nauwelijks nog iemand waarop je kon vertrouwen. De ene mens maakt jacht op de andere. Rechters zijn omkoopbaar. Zelfs de besten onder het volk zijn scherper dan een doornheg. Je kan je beste vriend nauwelijks nog geloven. Je moet oppassen voor je vrouw met wat je haar vertelt. Zonen verachten hun vaders, dochters hun moeders. Schoondochters hun schoonmoeders. Je huisgenoten, daar bevinden zich je vijanden en verraders onder. Het lijkt op de situatie die ons getekend wordt in Psalm 12: Behoud, o HEERE, want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinigen geworden onder de mensenkinderen. En heeft Jezus niet gezegd, dat dit ook kenmerkend zal zijn voor de laatste dagen? In Zijn rede over de laatste dingen noemt Hij het als een teken van de tijd, die aan de wederkomst zal voorafgaan. De apostelen bevestigen dat in hun brieven. De mensen zullen onbetrouwbaar zijn, hatelijk en elkaar hatende, ongehoorzaam, ongezeglijk, onverzoenlijk, wreed, opstandig tegen de ouders, zonder natuurlijke liefde. Zien we dat niet ook in onze dagen of staat bij mij de bril scheef op het gezicht? Wij leven volgens mij  in een tijd waarin straffeloos allerlei kwaad kan worden bedreven. Het kwaad wordt goed genoemd en het bittere zoet. De inzettingen van Omri worden onderhouden. Zie de roede en wie ze besteld heeft, zo roept de Heere ook tot ons land en volk.

En dan opeens tegen die pikdonkere achtergrond: Maar!! De profeet geeft het niet op. Als er dan bij de mensen helemaal geen verwachting meer is … Als ook de profeet zelf niet brandschoon is en er dus ook van hem geen verwachting meer is… Dat laatste is het geval, want hij moet het zeggen in vers 9 dat hij Gods gramschap dragen zal om dat ook hijzelf tegen Hem gezondigd heeft. Wat dan?

Dan zal ik uitzien naar de HEERE!  Dat  ‘’ik” staat in de tekst heel nadrukkelijk vooraan. Wat mij betreft, mij aangaande.  Hij spreekt hier tevens namens het gelovige volk dat er nog in Juda was. Er blijft niets over dan te wachten op de God van mijn heil. Adventsverwachting. Ik sta op wacht. Meer dan de wachters op de morgen, de wachters op de morgen, zegt Psalm 130. Het woord dat met uitzien wordt vertaald wordt elders met spieden weergegeven. Zoals spieders staan te turen in de verte, zo zal ik op mijn uitkijkpost staan om iedere beweging van de kant van de Heere waar te nemen. Alleen is het dan niet vijandig bedoeld zoals verspieders een vijand bespieden. Maar hoopvol.

Bent u ook zo teleurgesteld in mensen. Ik wel, vele malen. Het heeft me zelfs naar mensen toe gereserveerd gemaakt. Dat doet heus wel eens pijn. Meer pijn nog doet het als je teleurgesteld raakt in jezelf. Omdat je tegen God gezondigd hebt. Hoe donker kan het dan zijn. In vers 8 spreekt de profeet dan ook over in duisternis gezeten zijn. Dat is niet alleen vanwege zijn tegenstanders, die hier voorgesteld  worden als een vijandige vrouw (vijandin). Het is ook vanwege zichzelf. Donker, aardedonker kan het zijn. Ook in onze tijd, ook in ons hart.

Maar, niet gewanhoopt. Wanhopen deed Micha en het gelovige volk namens wie hij spreekt ook niet. Mijn God zal mij horen. Hij is de God mijns heils. De HEERE zal mij tot een licht zijn. Dat zal Hij zelfs al wezen terwijl ik nog midden in het duister zit. Hij zal mij uitbrengen aan het licht. Wacht maar op de HEERE! Wacht op Zijn Christus. Staar je als het ware maar blind op Hem. Dat is het ware adventsleven. Want zo zei Micha’s tijdgenoot, Jesaja, het: ‘’Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de schaduw des dood over dezelven zal een licht schijnen.’’ Hopen en wachten dus, uitzien naar Hem. Mijn God zal mij horen. De God des Heils, de God van Jezus.

Ds. J.L. Schreuders

“Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven opdat gij leeft, gij en uw zaad, liefhebbende de HEERE uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde en Hem aanhangende; opdat gij blijft in het land dat de HEERE, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft hun te zullen geven.”
(
Deuteronomium 30:19 en 20)

Mozes is aan zijn slotoffensief bezig. Zijn dagen zijn bij God geteld. Na 120 jaar gaat hij sterven. Hij had nog met het volk het beloofde land in gekund zoals hij het ook uit Egypte had uitgeleid. Dan zou hij zowel in de uittocht als de intocht gestalte van Christus zijn geweest, Die Zijn volk uit het Egypte van de zonden verlost om ze in te brengen in het Kanaän daarboven. Het laatste is echter door Mozes zelf onmogelijk gemaakt. Hij heiligde de Naam des Heeren niet door ongelovige taal uit te slaan ten aanhore van het volk bij het slaan op de steenrots. Zodoende is niet Mozes maar Jozua gestalte geworden van de meerdere Jozua van Nazareth, Die de Zijnen inbrengt in het beloofde land, het hemelse Kanaän.

In hoofdstuk 28 heeft Mozes zeer uitvoerig de zegen en de vloek aan het volk voorgesteld. De zegen gaat voorop en dat is ook zo in de bovenstaande tekst. Waarom is dat? Ongetwijfeld omdat dit hetgeen is wat de HEERE veruit het liefst zou willen geven: leven en zegen. Maar wie in het genoemde  hoofdstuk kijkt ziet dat de zegen maar loopt tot en met vers 14. Vanaf vers 15 tot 68(!) wordt de vloek verkondigd. Niet alleen de HEERE weet het maar ook Zijn knecht Mozes, dat het volk het geheel verknoeien zal. In hoofdstuk 29 wordt dat ook duidelijk te kennen gegeven.

Nu zouden we kunnen denken: aangezien dat toch zo zijn zal, hoef je het volk ook niet meer zo krachtig te vermanen. Het is toch een verloren boel. Mozes weet dat Israël het na zijn dood zeer verderven zal (Deut. 31:29). Dan heeft preken en praten dus geen zin meer. Ja, toch wel. Ongehoorzaamheid is geen noodlot. Het is niet zo dat wij heimelijk de schuld op God kunnen schuiven omdat wij toch niet anders konden dan zondigen. Daarom houdt Mozes- alhoewel hij weet dat het volk de verkeerde kant op zal gaan – hen toch de volle verantwoordelijkheid voor: Kiest dan het leven, opdat gij leeft. Met andere woorden: aan God zal het niet liggen. De HEERE is niet onwillig om hen het leven te geven en de dood te besparen. Dat is echter alleen in de weg van gehoorzaamheid, van aanhangen en liefhebben van God te bereiken. Meer vraagt Hij niet. Zij hoeven er niet voor naar de hemel op te klimmen of er voor over te varen naar de overkant van de zee. Enkel de HEERE liefhebben Die toch immers zoveel goeds voor ze gedaan heeft! Wat vraagt de HEERE anders van u dan ootmoedig te wandelen met uw God. Daarin ligt het leven en de zegen. In afwijken van die goeddoende God ligt echter de vloek en de dood. Dat is ook nu nog steeds niet anders. Beseffen wij het nog?

Vandaar dat Mozes hemel en aarde tot getuigen roept. Dat zien we vaker in de Bijbel: bij een verbond behoren getuigen. Aangezien hemel en aarde alles zien kunnen zij beter getuigen zijn dan wie ook anders. Zij horen wat de HEERE hen  zowel heeft toegezegd als gedreigd en beide ook onder welke condities. Hij heeft hun het leven en de dood voorgesteld, de zegen en de vloek. Met de uitdrukkelijke oproep erbij niet de vloek en de dood te kiezen maar het leven. Dat wil de HEERE. Och, had naar Mijn raad zich Mijn volk gedragen … Ik zou hen gespijsd hebben met het vette der tarwe, met honing uit de rotsstenen. Hij zou hun leven en de lengte van hun dagen geweest zijn in het land dat Hij hun vaderen gezworen had.

Zij hebben echter de dood verkozen en de vloek. Wij ook. Zijn stem ongehoorzaam geweest. Onze liefde Hem ontzegd en die aan anderen gegeven. Wij hebben Hem evenmin als het oude volk aangekleefd zoals een man zijn vrouw aanhangt. Dat is schuld. Dat was niet nodig. Het is de moedwillige keuze van ons boze hart om dat te doen. God heeft ons zo gemaakt dat wij Hem zouden kunnen aanhangen. Wij hebben het onszelf onmogelijk gemaakt om dit nog uit te voeren. Daar is niemand anders verantwoordelijk voor dan u en ik. Hemel en aarde getuigen dan ook tegen ons. Zij houden ons niet voor onschuldig evenmin als dat God Zelf en ons eigen geweten dat doen. Niets en niemand pleit ons vrij. Wij hebben allen nagelaten wat wij hadden moeten doen. Onze onmacht kan niet als excuus worden aangevoerd. Zij is niet meer dan een flauwe smoes.

Daarom is nu de zegen en het leven nog maar op een enkele manier te verkrijgen. Dat is in Christus, Die de zegen en het leven verdiende, maar de vloek op Zich nam. Wat Mozes niet teweeg kon brengen, dat kan Hij. Meer dan Mozes is hier en Mozes heeft van Hem gesproken. De ceremoniën van het Oude Testament, de hele tabernakel, de priester- en offerdienst kondigden Hem al aan. Wie als een dode en vloekwaardige zondaar tot Hem gaat, vindt het leven en de zegen. Door het geloof. Maar let op: geloof is niet een prestatie of verdienstelijk werk. Dat leerden op de Dordtse synode juist die verfoeilijke Remonstranten.  Zij zeiden dat in plaats van de vervulling van de hele wet God nu alleen maar geloof van ons vraagt en dat wij dat gemakkelijk kunnen opbrengen. Geloof wordt dan een waardevol en verdienstelijk werk van ons, waar God ons zo dankbaar voor is dat Hij ons uitverkiest. Dat is de wereld op zijn kop. Geloof is een door God gewerkt middel om Christus aan te nemen. Niet ons geloof maar Christus komt in de plaats van de vervulling van de gehele wet. Zodoende zijn leven en zegen toch niet onmogelijk. God leert een zondaar de goede keuze te doen: voor het leven en de  vrede. Die keuze zal je nooit berouwen!  En waar die keuze is leer je Hem ook aan te hangen, lief te hebben en te gehoorzamen aan Gods wet. Paulus zegt dat degenen die in Christus zijn niet alleen geen verdoemenis te vrezen hebben, maar dat zij ook niet meer naar het vlees wandelen doch naar de Geest. Zo wordt het recht der wet toch nog in ons vervuld! Dat leven wordt ons ook heden nog voorgesteld en aangewezen in de prediking. Wie kiest, o verdwaasden,  dan nog voor het leven de dood?

Ds. J.L. Schreuders