“Maar ik zal uitzien naar de HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen”
(
Micha 7:7)

Het is advent. Enkele keren hoorden we de boodschap van de Heere vanuit Micha. Indrukwekkende hoofdstukken zijn dat: Micha 4 en 5. Het is niet gemakkelijk te begrijpen misschien. Maar als je verstaat wat er gezegd en geschreven is dan laat het diepe indrukken bij ons na. Wij hebben het profetische woord dat zeer vast is!

Nu, ook de hoofdstukken 6 en 7 mogen er wezen. God heeft een twist met Zijn volk. Zou Hij dat zo langzamerhand ook niet met ons hebben, denkt u? Het zou mij niets verbazen. Het klinkt dan ook dreigend: Hoort de roede en wie ze besteld heeft! Wie zou dan ook nu niet vrezen?

Waarom die roede? Omdat in Juda de inzettingen van het huis van Omri werden onderhouden. Omri was de vader van Achab. Via Athalia waren de kwade zeden en gewoonten, die eerst vooral in het Noordrijk werden aangetroffen, ook in Juda binnen gedrongen. Athalia was inmiddels allang dood. Het huis van Omri was uitgeroeid. Maar daarmee was het geïmporteerde kwaad niet mee in het graf verdwenen. Het ganse werk van Achab, de koning van Samaria, was nog steeds ook in Jeruzalem springlevend.

Dat kwam niet alleen in godsdienstzaken tot uiting, zoals in afgoderij en een vals vertrouwen op de vele offers die ze brachten. Nee, Micha legt vooral de nadruk op de tweede tafel van de wet. Men verkocht elkaar knollen voor citroenen. Valse weegschalen en veel te kleine gewichten waren schering en inslag. Zo bedotte de een de ander. Dat leidde tot een grote ontwrichting van de samenleving. Er was nauwelijks nog iemand waarop je kon vertrouwen. De ene mens maakt jacht op de andere. Rechters zijn omkoopbaar. Zelfs de besten onder het volk zijn scherper dan een doornheg. Je kan je beste vriend nauwelijks nog geloven. Je moet oppassen voor je vrouw met wat je haar vertelt. Zonen verachten hun vaders, dochters hun moeders. Schoondochters hun schoonmoeders. Je huisgenoten, daar bevinden zich je vijanden en verraders onder. Het lijkt op de situatie die ons getekend wordt in Psalm 12: Behoud, o HEERE, want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinigen geworden onder de mensenkinderen. En heeft Jezus niet gezegd, dat dit ook kenmerkend zal zijn voor de laatste dagen? In Zijn rede over de laatste dingen noemt Hij het als een teken van de tijd, die aan de wederkomst zal voorafgaan. De apostelen bevestigen dat in hun brieven. De mensen zullen onbetrouwbaar zijn, hatelijk en elkaar hatende, ongehoorzaam, ongezeglijk, onverzoenlijk, wreed, opstandig tegen de ouders, zonder natuurlijke liefde. Zien we dat niet ook in onze dagen of staat bij mij de bril scheef op het gezicht? Wij leven volgens mij  in een tijd waarin straffeloos allerlei kwaad kan worden bedreven. Het kwaad wordt goed genoemd en het bittere zoet. De inzettingen van Omri worden onderhouden. Zie de roede en wie ze besteld heeft, zo roept de Heere ook tot ons land en volk.

En dan opeens tegen die pikdonkere achtergrond: Maar!! De profeet geeft het niet op. Als er dan bij de mensen helemaal geen verwachting meer is … Als ook de profeet zelf niet brandschoon is en er dus ook van hem geen verwachting meer is… Dat laatste is het geval, want hij moet het zeggen in vers 9 dat hij Gods gramschap dragen zal om dat ook hijzelf tegen Hem gezondigd heeft. Wat dan?

Dan zal ik uitzien naar de HEERE!  Dat  ”ik” staat in de tekst heel nadrukkelijk vooraan. Wat mij betreft, mij aangaande.  Hij spreekt hier tevens namens het gelovige volk dat er nog in Juda was. Er blijft niets over dan te wachten op de God van mijn heil. Adventsverwachting. Ik sta op wacht. Meer dan de wachters op de morgen, de wachters op de morgen, zegt Psalm 130. Het woord dat met uitzien wordt vertaald wordt elders met spieden weergegeven. Zoals spieders staan te turen in de verte, zo zal ik op mijn uitkijkpost staan om iedere beweging van de kant van de Heere waar te nemen. Alleen is het dan niet vijandig bedoeld zoals verspieders een vijand bespieden. Maar hoopvol.

Bent u ook zo teleurgesteld in mensen. Ik wel, vele malen. Het heeft me zelfs naar mensen toe gereserveerd gemaakt. Dat doet heus wel eens pijn. Meer pijn nog doet het als je teleurgesteld raakt in jezelf. Omdat je tegen God gezondigd hebt. Hoe donker kan het dan zijn. In vers 8 spreekt de profeet dan ook over in duisternis gezeten zijn. Dat is niet alleen vanwege zijn tegenstanders, die hier voorgesteld  worden als een vijandige vrouw (vijandin). Het is ook vanwege zichzelf. Donker, aardedonker kan het zijn. Ook in onze tijd, ook in ons hart.

Maar, niet gewanhoopt. Wanhopen deed Micha en het gelovige volk namens wie hij spreekt ook niet. Mijn God zal mij horen. Hij is de God mijns heils. De HEERE zal mij tot een licht zijn. Dat zal Hij zelfs al wezen terwijl ik nog midden in het duister zit. Hij zal mij uitbrengen aan het licht. Wacht maar op de HEERE! Wacht op Zijn Christus. Staar je als het ware maar blind op Hem. Dat is het ware adventsleven. Want zo zei Micha’s tijdgenoot, Jesaja, het: ”Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de schaduw des dood over dezelven zal een licht schijnen.” Hopen en wachten dus, uitzien naar Hem. Mijn God zal mij horen. De God des Heils, de God van Jezus.

Ds. J.L. Schreuders

“Ik neem heden tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kiest dan het leven opdat gij leeft, gij en uw zaad, liefhebbende de HEERE uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde en Hem aanhangende; opdat gij blijft in het land dat de HEERE, uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft hun te zullen geven.”
(
Deuteronomium 30:19 en 20)

Mozes is aan zijn slotoffensief bezig. Zijn dagen zijn bij God geteld. Na 120 jaar gaat hij sterven. Hij had nog met het volk het beloofde land in gekund zoals hij het ook uit Egypte had uitgeleid. Dan zou hij zowel in de uittocht als de intocht gestalte van Christus zijn geweest, Die Zijn volk uit het Egypte van de zonden verlost om ze in te brengen in het Kanaän daarboven. Het laatste is echter door Mozes zelf onmogelijk gemaakt. Hij heiligde de Naam des Heeren niet door ongelovige taal uit te slaan ten aanhore van het volk bij het slaan op de steenrots. Zodoende is niet Mozes maar Jozua gestalte geworden van de meerdere Jozua van Nazareth, Die de Zijnen inbrengt in het beloofde land, het hemelse Kanaän.

In hoofdstuk 28 heeft Mozes zeer uitvoerig de zegen en de vloek aan het volk voorgesteld. De zegen gaat voorop en dat is ook zo in de bovenstaande tekst. Waarom is dat? Ongetwijfeld omdat dit hetgeen is wat de HEERE veruit het liefst zou willen geven: leven en zegen. Maar wie in het genoemde  hoofdstuk kijkt ziet dat de zegen maar loopt tot en met vers 14. Vanaf vers 15 tot 68(!) wordt de vloek verkondigd. Niet alleen de HEERE weet het maar ook Zijn knecht Mozes, dat het volk het geheel verknoeien zal. In hoofdstuk 29 wordt dat ook duidelijk te kennen gegeven.

Nu zouden we kunnen denken: aangezien dat toch zo zijn zal, hoef je het volk ook niet meer zo krachtig te vermanen. Het is toch een verloren boel. Mozes weet dat Israël het na zijn dood zeer verderven zal (Deut. 31:29). Dan heeft preken en praten dus geen zin meer. Ja, toch wel. Ongehoorzaamheid is geen noodlot. Het is niet zo dat wij heimelijk de schuld op God kunnen schuiven omdat wij toch niet anders konden dan zondigen. Daarom houdt Mozes- alhoewel hij weet dat het volk de verkeerde kant op zal gaan – hen toch de volle verantwoordelijkheid voor: Kiest dan het leven, opdat gij leeft. Met andere woorden: aan God zal het niet liggen. De HEERE is niet onwillig om hen het leven te geven en de dood te besparen. Dat is echter alleen in de weg van gehoorzaamheid, van aanhangen en liefhebben van God te bereiken. Meer vraagt Hij niet. Zij hoeven er niet voor naar de hemel op te klimmen of er voor over te varen naar de overkant van de zee. Enkel de HEERE liefhebben Die toch immers zoveel goeds voor ze gedaan heeft! Wat vraagt de HEERE anders van u dan ootmoedig te wandelen met uw God. Daarin ligt het leven en de zegen. In afwijken van die goeddoende God ligt echter de vloek en de dood. Dat is ook nu nog steeds niet anders. Beseffen wij het nog?

Vandaar dat Mozes hemel en aarde tot getuigen roept. Dat zien we vaker in de Bijbel: bij een verbond behoren getuigen. Aangezien hemel en aarde alles zien kunnen zij beter getuigen zijn dan wie ook anders. Zij horen wat de HEERE hen  zowel heeft toegezegd als gedreigd en beide ook onder welke condities. Hij heeft hun het leven en de dood voorgesteld, de zegen en de vloek. Met de uitdrukkelijke oproep erbij niet de vloek en de dood te kiezen maar het leven. Dat wil de HEERE. Och, had naar Mijn raad zich Mijn volk gedragen … Ik zou hen gespijsd hebben met het vette der tarwe, met honing uit de rotsstenen. Hij zou hun leven en de lengte van hun dagen geweest zijn in het land dat Hij hun vaderen gezworen had.

Zij hebben echter de dood verkozen en de vloek. Wij ook. Zijn stem ongehoorzaam geweest. Onze liefde Hem ontzegd en die aan anderen gegeven. Wij hebben Hem evenmin als het oude volk aangekleefd zoals een man zijn vrouw aanhangt. Dat is schuld. Dat was niet nodig. Het is de moedwillige keuze van ons boze hart om dat te doen. God heeft ons zo gemaakt dat wij Hem zouden kunnen aanhangen. Wij hebben het onszelf onmogelijk gemaakt om dit nog uit te voeren. Daar is niemand anders verantwoordelijk voor dan u en ik. Hemel en aarde getuigen dan ook tegen ons. Zij houden ons niet voor onschuldig evenmin als dat God Zelf en ons eigen geweten dat doen. Niets en niemand pleit ons vrij. Wij hebben allen nagelaten wat wij hadden moeten doen. Onze onmacht kan niet als excuus worden aangevoerd. Zij is niet meer dan een flauwe smoes.

Daarom is nu de zegen en het leven nog maar op een enkele manier te verkrijgen. Dat is in Christus, Die de zegen en het leven verdiende, maar de vloek op Zich nam. Wat Mozes niet teweeg kon brengen, dat kan Hij. Meer dan Mozes is hier en Mozes heeft van Hem gesproken. De ceremoniën van het Oude Testament, de hele tabernakel, de priester- en offerdienst kondigden Hem al aan. Wie als een dode en vloekwaardige zondaar tot Hem gaat, vindt het leven en de zegen. Door het geloof. Maar let op: geloof is niet een prestatie of verdienstelijk werk. Dat leerden op de Dordtse synode juist die verfoeilijke Remonstranten.  Zij zeiden dat in plaats van de vervulling van de hele wet God nu alleen maar geloof van ons vraagt en dat wij dat gemakkelijk kunnen opbrengen. Geloof wordt dan een waardevol en verdienstelijk werk van ons, waar God ons zo dankbaar voor is dat Hij ons uitverkiest. Dat is de wereld op zijn kop. Geloof is een door God gewerkt middel om Christus aan te nemen. Niet ons geloof maar Christus komt in de plaats van de vervulling van de gehele wet. Zodoende zijn leven en zegen toch niet onmogelijk. God leert een zondaar de goede keuze te doen: voor het leven en de  vrede. Die keuze zal je nooit berouwen!  En waar die keuze is leer je Hem ook aan te hangen, lief te hebben en te gehoorzamen aan Gods wet. Paulus zegt dat degenen die in Christus zijn niet alleen geen verdoemenis te vrezen hebben, maar dat zij ook niet meer naar het vlees wandelen doch naar de Geest. Zo wordt het recht der wet toch nog in ons vervuld! Dat leven wordt ons ook heden nog voorgesteld en aangewezen in de prediking. Wie kiest, o verdwaasden,  dan nog voor het leven de dood?

Ds. J.L. Schreuders

“Als de wolk opgeheven werd van boven de tabernakel, zo reisden de kinderen Israëls voort in al hun reizen. Maar als de wolk niet opgeheven werd , zo reisden zij niet tot op de dag dat zij opgeheven werd”.
(Exodus 40:36 en 37)

De wolk. Nee, dat was geen gewone wolk. Het was het teken van de aanwezigheid en de heerlijkheid des Heeren. De Heere Zelf trok in de wolk voor het volk heen. Die wolk had ook zeker de functie om God voor de ogen van het volk te bedekken. Wij lezen in de psalmen dat rondom de HEERE wolken en donkerheid zijn. Duisternis zette Hij tot Zijn verberging, wolken des hemels. Onze God is immers een verterend vuur. Indien Hij zich niet verborgen hield in de wolk, dan zou Zijn heerlijkheid voor ons niet te verdragen zijn. Zelfs Mozes werd door Gods hand bedekt toen de HEERE op de berg Horeb in de wolk aan hem voorbij trok.

Wij lezen van dit teken van Gods aanwezigheid en heerlijkheid  voor het eerst bij de uittocht uit Egypte. Toen was er nog van geen tabernakel sprake. De wolk was gewoon Stuurmeester om hen te leiden de woestijn in. Vaak neemt men aan dat de wolk overdag ook de functie had om hen in de woestijn te beschermen tegen de felle zon.  Dat kan best zo geweest zijn, maar het valt op dat dit in de Schrift niet zo benadrukt wordt.  Wij lezen wel dat de wolk de berg Horeb overdekte en ook de tabernakel, maar niet zozeer dat zij het volk overschaduwde. Het ging vooral om richting wijzen, voorgaan. En ’s nacht, als de wolkkolom een vuurkolom was, dan gaf zij tevens  licht opdat het volk zo nodig ook in de nacht kon trekken door de woestijn.

Bij de Horeb heeft de wolk des Heeren plaatsgenomen op de berg. Behoudens enkele keren dat zij om bijzondere redenen nederdaalde, bleef zij daar en moest  Mozes tot Hem die in de wolk was, opklimmen. Dat bleef zo totdat de tabernakel gereed was en werd ingewijd. Toen kwam zij nederwaarts  en  bedekte zij de tent der samenkomst en zo vervulde de heerlijkheid des Heeren de tabernakel. Hetzelfde lezen we bij de inwijding in later tijd van de tempel van Salomo. De Heere kwam boven het verzoendeksel om vandaar te spreken tot de kinderen Israëls. Ja, Gods beloften en geboden hebben alles met het verzoendeksel te maken. De verzoening is de basis van het verbond, het doel van de wet en de bewerker van Gods genade. Vandaar dat de Heere daar plaats nam. Daar waar de verzoening plaats vindt, daar is Hij tegenwoordig en in ons midden. Alleen daar! Zo is het tot vandaag de dag toe. Zijn wij met God verzoend?

Van die tijd af kwam dus het signaal van Gods aanwezigheid en heerlijkheid bij de tabernakel vandaan. Als de Heere op de tabernakel verbleef, dan moesten zij gelegerd blijven. Dag en nacht moest  de wolk des Heeren in de gaten worden gehouden. Ik neem aan dat vooral de priesters daarin een taak hebben gehad. Zij waren immers bedienaars van het heiligdom en dus dichtbij. Op ieder moment kon het signaal van vertrekken komen. Dan moesten de Levieten de tabernakel opbreken precies volgens het in Numeri 4 beschreven voorschrift. Ook het volk  moest dan zijn eigen tenten afbreken, al was het in het holst van de nacht. Soms moesten zij heel lang wachten voordat zij verder gingen. Dat is vooral het geval geweest in de veertig jaren die aan de woestijnreis werden toegevoegd. Soms bleven zij ook maar kort. En als zij aan het trekken waren dan was het Gods bevel dat hen tot legeren dwong. Dat bevel kwam tot hen door het stilhouden en neerdalen van de wolk op de tabernakel. Dan was het: keer weder tot uw rust. Het lag allemaal in Gods hand.

Wij zien dus nu dat de signalen van boven de tabernakel vandaan kwamen. Een volk dat werkelijk van verzoening leeft kiest niet zelf de weg en reist niet op eigen houtje. Doen wij dat wel, dan zijn we niet Gods volk of kind. Dan leven we dus ook niet werkelijk van de verzoening. Wie met God verzoend is en leeft bij het kruis, luistert nauwkeurig naar Zijn wil en weg. Jij wilt dan zonder God niet gaan. Laat ons van hier niet optrekken, zei Mozes. Hij bedoelde: als U niet met ons mee reist dan lukt het niet. Wij aanschouwen nu Gods heerlijkheid in Christus, het vleesgeworden en gekruisigde Woord. Hij is voor ons het verzoendeksel waarvandaan de Heere nu van genade spreekt.  Het is de heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader. In het aangezicht van Hem alleen kan de ontmoeting met God worden gevonden.

Wie daar weet van heeft gaat Hem volgen. Het verlangen wordt geboren eigen wegen steeds meer te  laten voor wat ze zijn. Het verlangen om Gods wil te doen zoals de engelen in de hemel. Maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw inzettingen. Naar de mond des Heeren legerden zij zich en naar de mond des Heeren verreisden zij. Dag en nacht ga je Zijn wil overpeinzen. Je krijgt een afkeer van je eigen zin en leert te vragen naar de zin des Heeren. Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen. Zo hebben wij nu op de wolk te letten. Eigen wegen verlaten en de Zijne volgen. Hij immers alleen weet de weg naar het beloofde land, het Kanaän van de rust. Op eigen houtje zal  je er nooit komen!  Achter haar en onder haar trekt de stoet van pelgrims voort. Zag ik ook u en jou daarbij?

Ds. J.L. Schreuders

“Maar het zij verre van mij, dat ik roemen zou, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Welken de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld.”
(Galaten 6 : 14)

Paulus wil geen andere roem dan deze. Anderen in Galatië denken  daar anders over. Zij willen roemen in de besnijdenis. En zij proberen de gelovige Galaten, die niet besneden waren omdat zij van oorsprong uit het heidendom komen, ertoe te bewegen om zich alsnog te laten besnijden. Dat is nodig om zalig te worden, zo beweren zij. Iedere Galaat, die zij ertoe kunnen dwingen om de besnijdenis te laten uitvoeren, is een speld op hun revers. Zij kunnen dan niet alleen roemen op hun eigen besnijdenis maar ook  op het feit dat zij anderen zover gekregen hebben.

Paulus moet van dit hele gedoe niets hebben. Hij wuift zulke roem met een ferme armzwaai van zich vandaan. Dat zij verre! Het is een bekende wijze van uitdrukken bij Paulus. Vooral in de brief aan de Romeinen maar ook een paar keer in de Galaten komen we die forse afwijzing tegen. Ze betekent:  geen sprake van of absoluut niet. Ook hier gebruikt de apostel dezelfde uitdrukking. Anderen mogen roemen wat ze willen. Paulus geeft er geen cent voor. Wat hem betreft, geen sprake van roem in de besnijdenis of in welk ander ding ook. Het heeft allemaal geen enkele kracht om een mens te behouden. Geen wetsbetrachting, geen vasten, geen onderhouden van spijswetten, geen eigen werken of zelfgemaakte vroomheid. Je komt er niet mee en dus moeten wij alle roem in zulke dingen laten varen. Ook je nette leven, je stipte kerkelijkheid, allemaal prima, maar roem is het zeker niet waard. Haal maar gerust een voor een al die spelden van je revers. Voor God hebben ze geen enkele waarde, voor Paulus en het evangelie evenmin en dus moeten  ook wij ze maar helemaal buiten beschouwing laten. Hebben wij dat geleerd?  Of zeggen we het alleen en knikken we ja, maar ondertussen lopen we nog volop met onze speldjes op en hebben wij ze misschien alleen maar naar de binnenzijde van het revers verplaatst. Weg ermee. Wij hebben te leren dat het over en uit moet zijn.

Paulus had in plaats van al die eigenroem (roemen in het vlees) een betere roem gekregen. Het kruis van Christus. In zijn prediking wilde hij niet anders weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Gelukkig was er bij hem tussen zijn prediking en de eigen beleving geen enkel verschil. Dat moet bij alle predikers zo zijn, want anders zijn wij houten klazen, die op de preekstoel poppenkast spelen. Ook voor Paulus’ eigen hart en leven lag het dus zo. Hij wist alleen maar groot te denken en te spreken van hetgeen Jezus aan het kruishout had gedaan. Daarin had hij de enige grond voor zijn zaligheid gevonden. Hij prijst dat dan natuurlijk ook bij de Galaten aan. Dat in plaats van wat die dwaalleraars voorhouden zij enkel en alleen hun hoop zouden (blijven) vestigen op de kruisverdiensten van de Middelaar. Hij prijst het ook ons aan. Dat we toch iedere andere roem gaan afzweren. Zeg eens:  is dat wat u en jou betreft werkelijkheid in je leven. Of houd je nog andere gronden om op te roemen achter de hand? Laat ze varen. Leer het Paulus na zeggen: wat mij betreft: weg ermee! Dan zal ik de gekruisigde Christus alleen overhouden. En aan Hem heb ik heus genoeg!

Immers, Christus en zijn kruis betekenen niet alleen de verzoening met God. Daar denken wij natuurlijk wel als eerste aan. Daardoor is voor mij alles voldaan. Daardoor wordt mij een volkomen gerechtigheid geschonken. Dat zijn heel grote dingen! Wie kan ze op volle waarde schatten?

Maar de apostel noemt hier toch ook nog iets anders. Hij zegt dat door het kruis ook zijn positie tot de wereld is veranderd. Hij heeft aan de wereld geen boodschap meer. Wel voor de wereld heeft hij nog een boodschap maar niet meer aan de wereld. Door de kracht van Christus’ kruis heeft de wereld voor hem afgedaan. Zij is als het ware voor hem de vloekdood gestorven.  Hij loopt niet meer in haar schema, loopt niet meer achter haar aan, hij leeft niet meer voor haar, hij hecht zich geen waarde meer aan al hetgeen waar zij voor gaat en staat. Voor degene, die van de wereld is, is de wereld het een en het al. Zij is voor hem zoals een knuffelbeer is voor een klein kind. Maar voor wie geleerd heeft het kruis te omarmen is de wereld geen hartsvriend meer. Je leeft in de wereld, maar je bent er niet meer van. Je begint de wereld en haar begeerten te verzaken. Ook dat komt voort uit de kracht van Zijn kruis. Naast de verzoening met God bewerkt het kruis van Christus ook de breuk met deze wereld. Je doet dat niet zelf. Hij doet het voor jou. Wordt het kruis van Christus onze enige roem dan is die breuk een feit geworden. De wereld is voor jou als dood.

Maar ook omgekeerd: de wereld heeft dan geen boodschap meer aan jou. Ook zij heeft nog wel een boodschap vóór jou: Keer toch naar mij terug. Maar aan jou heeft zij geen boodschap meer: zij spuugt je uit en zij draait je de nek toe. Wie Christus predikt loopt het risico om vanwege het kruis van Christus vervolgd te worden (vers 12). De dwaalleraars hadden daar allerminst zin in. Daarom hielden zij het liever bij hun roemen en predikten zij dus de besnijdenis. Voor Paulus kon de wereld niets meer schelen. Hij was voor de wereld bedorven. Hij stelde haar vriendschap niet meer op prijs. Als zij mij uit stoot, ze doet maar. De roem in Christus wordt er niet minder om. Bij Hem en Zijn kruis weet je waar je aan toe bent. Dat weet je met de wereld nooit. Het is maar goed dat Christus de wereld niet alleen voor ons gekruisigd heeft, maar ook ons voor de wereld. Je bent bij haar niet meer in tel. Dat is dus een totale verandering. Tussen de wereld en jou, van beide kanten. Een nieuwe schepping, zo noemt Paulus het. Ja, en dat alles door het kruis van Christus. Hem alle dank en roem!

Ds. J.L. Schreuders

“Een man, die dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is.”                       
(Spreuken 29:1)

Hoe vaak bent u/jij eigenlijk al gewaarschuwd? Dat is eenvoudigweg niet te tellen. Bij het lezen van Gods Woord. In de prediking. Door middel van dingen die gebeuren, enz. enz. Emmers vol vermaningen , waarschuwingen en bestraffingen zijn er al over ons uitgegoten. Telkens heeft God een hand op je schouder gelegd en je diep in de ogen gekeken. Er zijn gewoonlijk zelfs een of  enkele heel bijzondere momenten in ons leven, waarop God dat heel speciaal doet. Het boek Job zegt:  Een of tweemaal doet God dat, maar men let er niet op! Nu, dan ben jij ook een man, een vrouw, een jongen of een meisje, die dikwijls bestraft is. Een man van bestraffingen, zo staat er eigenlijk letterlijk in het hebreeuws. Dat betekent : een man die vaak bestraft (gekastijd) is, zoals “man van smarten” betekent: een man die veel smarten ondergaat.

Men let er niet op, zegt het boek Job. Gelukkig is er toch ook wel  bestraffing en vermaning, die  naar binnen komt. Ik bedoel ermee dat zij ter harte wordt genomen en tot verandering leidt. Maar heel vaak zien we- Elihu in het boek Job  heeft gelijk – ook het tegendeel. Nood leert niet altijd bidden en maakt niet altijd het hart week, vaak verhardt hij de zondaar en wordt de nek er alleen maar stijver  door. De Farao in Egypte en iemand als koning Saul zijn daar afschrikwekkende voorbeelden van. Maar ook de dag van vandaag valt het je wel eens op dat er heel wat (kerk)mensen zijn van wie je moet zeggen: hoe bestaat het?  Zij hebben al zoveel mee gemaakt, zo vaak heeft God in het leven gesproken,  zij hebben al zoveel jaren het Woord van vermaning en waarschuwing gehoord en nog altijd zo koud als een steen! Soms krijg je  de indruk dat men juist door al die roepstemmen van God alleen maar harder is geworden en steeds minder ontvankelijk voor de vermaning des Heeren.

Het komt ook voor dat dit gebeurt terwijl men uiterlijk bij de rechte leer blijft. Men wil van die leer  geen centje van af doen. Dat is overigens ook terecht. Men staat pal voor de waarheid. Prima!  Men vindt ook dat de dominees het vooral de gemeente niet scherp genoeg kunnen aanzeggen. Men prijst de dominees die dat “unverfroren” doen en men klaagt over die predikanten die de gemeente te weinig waarschuwen. Maar onder tussen: zij blijven zelf  maar steeds de zelfden. Alle oproepen hebben op henzelf geen enkel effect. Er zit geen enkele beweging in naar de Heere toe. Men erkent: het zou eigenlijk wel moeten en het wordt ons ook wel aangezegd. Maar ondertussen wordt de nek steeds meer verhard. De eeltlaag om de ziel wordt dikker en dikker. De waarheid breekt het hart niet, maar maakt het harder dan de dikste steen. Je vraagt je soms af hoe dat toch kan. Zoveel weten van het zuivere woord, maar het doet het hart niet goed en het brengt niet tot een buigen voor God en Christus. Je wordt er soms bang van.

Onze tekst waarschuwt ons : laat de eeltlaag niet nog dikker worden dan deze van nature al is. Als je al de roepstemmen van God in de prediking en je eigen leven negeert, dan zal  je ook de weg van Farao en van Saul gaan. Zij werden schielijk (dat is plotseling en onverwachts) verbroken. En toen hielp er ook geen lieve moeder meer aan. Er bleef in die gevallen geen balsem over in Gilead. Geen genezen was er nog aan. Wie alle vermaningen  ter zijde legt en voor kennisneming aanneemt, vindt zijn eigen Rode Zee of gebergte van Gilboa. Eens zal het de laatste keer zijn dat de Heere nog bemoeienis met je heeft en je nog zoekt te overtuigen. Dan valt de klap. Dat kan als een donderslag zijn bij heldere hemel. De genadetijd is dan verprutst. Harde nekken, die altijd stijf blijven en zelfs steeds stijver worden, kunnen de nauwe poort niet door. En je kunt zomaar aan die poort verschijnen moeten!  Er zal dan geen tijd meer zijn om het nek buigen nog te leren. Te laat! Schielijk te laat. Verbroken word je zonder dat er nog genezing kan plaats vinden.

Daarom lieve lezer, jong of oud, je bent een man, vrouw, jongen, meisje van vermaningen. En er zullen er  nog veel gaan volgen. Laat je nek niet tot een ijzeren zenuw en je voorhoofd niet tot een koperplaat worden. Leer toch je hals te buigen onder de woorden des Heeren. Laten ze je toch bijtijds brengen aan de voeten van onze kostbare Heiland. Dan zal er genezen aan zijn. Je zult niet schielijk verbroken worden als je nu eronder verbreekt. Er is nog een Heelmeester. Voor verbroken harten en gebogen nekken.

Ds. J.L. Schreuders

“En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.”        
(Lukas 24:47)

Deze woorden maken onderdeel uit van wat Jezus tot Zijn discipelen sprak op de avond van Zijn opstandingsdag. Eerst opende Hij hun verstand zodat ze de Schriften verstonden. Hoe nodig is dat ook nu nog. Kijk maar naar de discipelen. Zij begrepen nog niets van wat er in de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen stond. Als je daar namelijk Christus nooit in hebt gezien dan heb je er nog helemaal niets in gezien. Zo was het met de discipelen. Maar Jezus haalt het deksel van hun hart. Zij gaan verstaan dat de Schriften van Zijn lijden en van Zijn opstanding spreken. Hoe nodig is dat voor u, voor jou en voor mij. Ontdek mijn ogen, zodat ik zie de wonderen van Uw Woord.

Dan gaat Jezus verder. Er moet nu -ook naar de Schriften!- In Jezus’ Naam gepredikt gaan worden. Jesaja zei: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, dan zal Hij zaad zien. Maar hoe zal die vrucht er komen als Hij niet gepredikt zou worden? Zijn lijden en opstanding maken namelijk bekering en vergeving van zonden mogelijk. Zij zijn de toepassing van het volbrachte werk, de uitwerking ervan. Vandaar dat Jezus dit er in een adem bijvoegt en daarna nog zegt: Gij zijt getuigen van deze dingen. Jullie zijn voor mij de instrumenten, waardoor Ik deze toepassing van het verworven heil ga realiseren. Dat gaat in de weg van prediking, van getuigen dus!

Bekering en vergeving van zonden zijn samen de inhoud van dit getuigenis. Zij zijn ook  beide nodig. Zij hangen dus nauw met elkaar samen. Er is geen bekering denkbaar zonder vergeving van zonden en andersom. Nee, het is nooit zo dat je op grond van je bekering vergeving ontvangt. Nooit is de bekering de basis, nooit zijn berouw en ommekeer de verdienende oorzaken van de vergeving. Maar wel zijn zij de weg waarin de vergeving wordt ontvangen. Wie denkt dat zijn zonden vergeven zijn maar bekering ontbreekt, droomt een droom die bedrog is. Onmogelijk!

Bekering en vergeving der zonden. Bekeert u, opdat uw zonden afgewist zullen worden, zo verkondigt straks Petrus op het tempelplein. Ook op het Pinksterfeest klonk dat al. Het is dus een bevel, dat in Zijn Naam wordt uitgevaardigd. Maar het is ook een gave. Als dat ook niet zo was dan zou het bevel tot bekering tot de onmogelijke opgaven behoren. Onbegonnen werk, omdat het namelijk bij plichtmatige voornemens zou blijven steken. Gelukkig is Hij het ook Zelf die bekering geeft. Hij maakt bekering mogelijk en werkt die uit in de harten en levens van de mensen. Zacheus is daar een prachtig voorbeeld van. Aan zijn huis is zaligheid geschied. Dat betekent ook dat er van ommekeer sprake was. Wie heeft dat bewerkt? Christus, Die in zijn huis moest blijven! Bekering mag en moet dus gepredikt worden als opgave en als gave. Niet alleen het bevel tot maar ook het tot stand brengen van  geschiedt in Zijn Naam. De roep tot bekering moet dan ook bij Christus brengen. Er is geen bekering mogelijk en denkbaar zonder Hem. Het wordt in Zijn Naam gepredikt. Je weet dus Wie je aanklampen moet als je het zelf niet tot stand weet te brengen. Leg je in onmacht voor Hem neer. Hij zal het je geven.

In de weg van bekering wordt je ook vergeving van zonden geschonken. Zondaars die berouw hebben mogen het horen: uw zonden zijn u vergeven. Die belofte mogen zij geloven. Zij wordt namelijk niet zomaar verkondigd. Niet in naam van de prediker of van de kerk. Nee, in de Naam van Jezus Zelf. En Zijn Geest is het, Die het ook in het hart bevestigt. Hij werkt ook Zelf het geloof in de belofte van het evangelie. Zo wordt vergeving van zonden een geestelijke werkelijkheid.

Bekering en vergeving. De twee weldaden die Christus door de prediking laat uitdelen en wegschenkt. En dat onder alle volken. Ja, werkelijk, in het roepen tot en in het aanbieden van deze zaken mogen we niemand overslaan. Alle creaturen moeten het evangelie gepredikt krijgen. Alle volken onderwezen. Wij mogen geen onderscheid maken in  het oproepen tot bekering en geloof. In de prediking van Gods beloften mag de bazuin luid en overal klinken. Wendt u tot Hem en wordt behouden, alle gij einden der aarde!

Daarmee moet zelfs begonnen worden in Jeruzalem. Wij zouden denken: die maar het laatst. Daar is de Heere gekruisigd. Zet die maar onder aan de rij. De anderen gaan ditmaal voor. Maar nee, er moet daar met de prediking van bekering en vergeving begonnen worden waar de zonde het ergst is geweest. In Handelingen 4 mag Petrus het zelfs de hogepriester voorhouden: de zaligheid is in geen ander. Hij, die Jezus des doods schuldig heeft geoordeeld en zijn klederen daarbij heeft gescheurd mag het uit de mond van een van Jezus’ jongeren vernemen: wij moeten door Hem zalig worden. Dat de hogepriester dat heeft laten liggen is een ander verhaal. Daarmee heeft hij zijn oordeel ongetwijfeld alleen maar groter gemaakt. Het blijft echter een feit dat het ook hem in Christus’ Naam gepredikt is. Het zou ook voor Kajafas nog hebben gekund. Het kan ook nog voor u. Bij Jezus is bekering en vergeving te verkrijgen. Kom er dan om bij Hem!

Ds. J.L. Schreuders

“Zo ik naar de mens tegen de beesten gevochten heb in Efeze, wat nuttigheid zou het mij geven indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.” (1 Korinthe 15:32)

Zonder God en zonder hoop in deze wereld te zijn is de meest troosteloze boel, die er bestaat. En toch leven tal van mensen zo. Van nature allemaal. Daarom is het niet zo vreemd dat het zo algemeen is. Paulus mocht door de genade die hem gegeven was een uitzondering zijn die de regel bevestigt. Gelukkig zijn er zulke uitzonderingen meer. Er is zelfs een hele schare van, die niemand tellen kan. Het zal er maar om gaan of u en ik daarbij zijn!

In Efeze werd door sommige invloedrijke dwaalleraars  de opstanding van de doden op de jongste dag geloochend. De opstanding zou alleen een geestelijke zaak zijn (het komen tot geloof) en niet ook een lichamelijk gebeuren  op de jongste dag. De consequentie van deze opvatting is dat er dan ook geen sprake kan zijn van een lichamelijke opstanding van Christus. Waar geen oogst is, is immers ook geen eersteling van de oogst. En waar Christus niet is opgewekt is alles tevergeefs. Prediking, geloof, maar ook alle lijden dat voor Zijn naam ondergaan is. Allemaal voor niks.

Waarvoor zou Paulus zich dan alle uren in gevaar begeven? Zijn leven was daadwerkelijk niet meer dan een gestadige dood. Iedere dag in doodsgevaar. Waarom eigenlijk als Jezus toch niet is opgewekt? Dan heeft het gewoon geen enkel nut of zin.

Paulus denkt in dat verband aan een voorval, dat hij meemaakte tijdens zijn langdurige verblijf in Efeze. Hij heeft daar namelijk tegen de wilde beesten gevochten. Sommigen denken dat dit letterlijk moet worden opgevat. Hij zou dan in de arena hebben gestaan en het tegen leeuwen hebben moeten opnemen. Maar deze letterlijke opvatting kan om meerdere redenen echter niet juist zijn. Ten eerste was Paulus een Romeins staatsburger en die mocht nimmer zoiets worden aangedaan. Paulus had zich met succes op zijn staatsburgerschap kunnen beroepen indien men zoiets met hem  van plan was. Bovendien zou de apostel dit net zo min als ieder ander mens hebben overleefd als zijnde een wel zeer ongelijke strijd. Hij bedoelt dit dan ook veeleer als bij wijze van spreken. De woorden ”naar de mens” zijn zo op te vatten: op een menselijke manier erover gesproken. Hij heeft het in Efeze , waar hij drie jaar verbleef,  meerdere keren heel zwaar te verduren gehad. Zo zwaar, dat je het wel een strijd tegen beesten zou kunnen noemen. Maar waarvoor zou je jezelf al die moeite op de hals halen, als alles toch ijdel is? Het zou dan toch veel wijzer zijn jezelf een gemakkelijker leven te gunnen.

Inderdaad, als Christus niet zou zijn opgewekt, dan is het tijd voor galgenhumor. Laat ons dan eten en drinken want morgen sterven wij. Paulus citeert hier Jesaja, die de losbollige inwoners van Jeruzalem hetzelfde laat zeggen (Jes. 22:13). Zij hebben dikke vreugde met runderen te slachten en wijn te drinken, want geniet van het leven , het duurt maar even. Pluk de dag! Het is het enige “geloof” dat zeer veel mensen in deze tijd nog beoefenen. Het heeft ook heel wat aanhangers binnen de kerken. Wilt u weten hoe de Heere er op reageert bij Jesaja ? Zo u deze ongerechtigheid verzoend wordt totdat gij sterft! Zij zal u dus geenszins vergeven worden! Je zult troosteloos sterven.

Toch is dit hetgeen erover blijft als wij niet leven vanuit de opstanding van Christus. Dus niet alleen wanneer wij die ontkennen zoals sommigen in Korinthe deden. Maar ook als het een dode belijdenis voor ons is. Als wij Pasen houden met minder vreugde dan onze verjaardag. Als Goede Vrijdag ons niet deed wenen en Pasen ons niet doet juichen. Dan leven we buiten de werkelijkheid van Christus. Dan is Carpe Diem onze hoogste levenswijsheid. Paulus heeft gelijk: hij had dan ook niet al die moeite in Efeze behoeven te dragen. Je kunt maar beter van het leven genieten zolang het duurt. Dan heb je tenminste nog wat voordat het licht uitgaat. Beste lezer, ben je ook al niet wijzer dan zo? Ik moet toegeven dat je wel een echt kind van deze tijd bent. Maar dat is dan ook alles, want je bent verder een dwaas.

Paulus roept ons krachtig tot de orde. Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden. Dat is een citaat vanuit de heidense dichter Menander, een Epicureër.  Het betekent:  al zulke praat brengt niets dan zedenverwildering met zich mee. Dat zien we immers ook in onze tijd voor onze ogen gebeuren. De mens raakt meer en meer los van alles. Iedere onderscheiding van goed en kwaad valt weg. Alles wat heilig is staat ter discussie. Normen en waarden verschuiven als wisselende panelen, ook op Urk en het  gaat ook de Moria niet voorbij. Komt het ten diepste niet daardoor omdat we niet vanuit de opgestane Christus leven? Dat maakt zorgeloos en nonchalant. Het brengt tot een mentaliteit van: wat zou het ? Maak je niet dik, want dun is de mode. Alles is ijdelheid en dus  nog maar een poosje genieten. Als het op is dan zien we maar weer.

Paulus hijst in Korinthe de stormbal. Wij moeten u de misthoorn laten horen. Waakt op rechtvaardiglijk en zondigt niet! Want sommigen (Gode zij dank niet allen) hebben de kennis niet. Ik zeg het u tot schaamte. Als dat dus ook van u, lezer, geldt of van jou, dan weet je wat je doen moet: je schamen! En je moet echt en terecht wakker worden. En niet langer zondigen door op zo’n losbollige manier verder te leven. Het moet tot ware kennis van Christus komen  en van de kracht van Zijn opstanding. Want met een zorgeloos leven als een eenentwintigste eeuwse  Epicureër ga je zeker verloren. Je loopt stuk tegen de klippen. Dan kun je nog maar beter zoals Paulus tegen de beesten te strijden hebben. Maar dan wel vanuit de wetenschap: het is niet zonder nuttigheid, want Christus is opgestaan en wij zullen met Hem volgen. Dat is een leven met vaste hoop.

Ds. J.L. Schreuders


“Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet?”
“Doch dit alles is geschied opdat de Schriften der profeten vervuld worden.”
(Mattheus 26: 54 en 56)

Tweemaal staat het vlak achter elkaar in dit gedeelte: de Schriften der profeten moeten vervuld worden. Welke Schriften zijn dat precies?

Wij zijn in deze geschiedenis getuige van de gevangenneming van Jezus. Hij is in de hof bij de Olijfberg. Driemaal heeft hij Zich gehoorzaam overgegeven tot het drinken van de beker: Uw wil geschiede. Driemaal vond Hij Zijn drie beste discipelen slapend. Toen hij hen de derde keer daarop aansprak, kwam Judas met de bende er al aan om Hem te vangen. De verrader wist wel waar Jezus met Zijn overige discipelen was. Hij was daar al vaker naar toe gegaan als Hij in Jeruzalem was, zeker gedurende de laatste week.

Jezus wordt gegrepen en vervolgens ontstaat er een handgemeen. Het zwaard wordt getrokken en een dienstknecht van de hogepriester verliest zijn rechteroor. Noch de naam van hem die geraakt werd (Malchus), noch de naam van de discipel die sloeg (Petrus) noch het feit van de genezing van het oor wordt hier gemeld.

Alle nadruk ligt hier op iets anders. Jezus verbiedt hen het optreden met het zwaard en daarmee tegelijk ieder verzet tegen de gevangenneming. Als er al verzet zou moeten wezen, dan hoeven de discipelen dat niet te doen. Een bede tot de Vader hoeft er slechts te worden opgezonden en er is al een legermacht op de been van twaalf legioenen engelen. Dat zou dan om tientallen duizenden gaan. Maar Hij zendt dat gebed niet op! Er komt geen hulp van engelen. Waarom niet?

Omdat Hij de drinkbeker moet drinken, want dat is de wil van de Vader. Hij moet Zijn ziel gaan uitstorten in de dood. Hij moet de toorn van God gaan lijden. Dat alles hebben de profeten gezegd, vooral Jesaja. Dat kan niet onvervuld blijven, want dan is het woord van de Heilige Geest niet waar, Die door de profeten gesproken heeft. Dat mag niet onvervuld blijven, want dan blijft alle redding uit voor Zijn discipelen en voor ons. Hij moet gebonden en weggevoerd worden. Het moet alzo geschieden. Dat is een goddelijk moeten. Zonder voldoening is er immers geen verzoening. Gods heilsplan voor zondaren kost Zijn eigen Zoon het leven en het bloed. Er kan niet anders voor de zonden betaald worden dan door de dood van Gods Zoon. De Schriften zeiden al dat dit onontkoombaar was. Die moeten dus in vervulling gaan. Daar past geen gebed om ingrijpen vanuit de hemel bij en evenmin een gewapend optreden van discipelen. De beker moet geledigd. Uw wil geschiede. Wij zien hier hoe vast dit alles heeft gelegen in Gods raad en plan. En ook hoe diep de Heere Jezus Zichzelf daaraan heeft over gegeven. Wat een getrouwe en dierbare Borg is Hij toch voor al degenen, die met hun zonden tot Hem komen.

Heeft Jezus dit eerst tegen Zijn discipelen gezegd, daarna bevestigt Hij dat nog ten overstaan van de bende, die Hem komt gevangen nemen. Gij zijt uitgegaan tegen Mij als tegen een moordenaar. Voorzien van tal van zwaarden en van stokken. En dat terwijl jullie Mij gemakkelijk hadden kunnen pakken als ik in de tempel sprak. Vooral de laatste week was Jezus iedere dag wel in de tempel geweest om te prediken. ’s Nachts in Bethanië en overdag in de stad. Hij was toen vlak bij hen in de buurt. Zij hadden Hem toen gemakkelijk kunnen meenemen en zonder al te veel geweld kunnen vast zetten. Zwaarden en stokken en nachtelijke avonturen waren dus helemaal niet nodig geweest. Zij hebben het niet gedaan. Zij komen Hem liever met man en macht arresteren in de hof.

Daarmee werken ze onbedoeld en ook onwetend mee aan de vervulling van de Schriften: En Hij is met de overtreders geteld. Met de misdadigers gerekend. Wij zien hier iets van hun onmacht, ondanks het grof geweld. De Schriften moeten in vervulling gaan en zij leveren daar noodgedwongen hun aandeel aan. De hemel lacht om al dit aards gedruis. Zij vervullen met al hun gewoel toch alleen maar de raad van God. Niemand kan het keren. Zij moeten er zelfs een bijdrage aan leveren. Wat zijn ze dan nietig. God en Zijn Woord zijn de baas. Christus overwint hier in de boeien. Tot heil van een gebonden volk, dat Hij ontbinden gaat. Dat is het geheimenis van de verlossing. Zij hoeven niet gebonden te blijven. De Gevangene maakt gevangenen los. Zo geschiedt het nog. Bent u/jij al vrij dankzij Hem?

Ds. J.L. Schreuders