14. Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekenne, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
1. En de kinderen der profeten zeiden tot ElÃsa: Zie nu, de plaats waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng. 2. Laat ons toch tot aan…
7. Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen die oprechtelijk wandelen,
20. En Achab zeide tot ElÃa: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? En hij zeide: Ik heb u gevonden, overmits gij uzelven verkocht hebt om te doen wat kwaad…
3. Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou.
16. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
7. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. 8a. Bij Mij van den Libanon af, o bruid, kom bij Mij van den Libanon af;







